ECLI:NL:CRVB:2008:BD1033
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen brief UWV na termijnoverschrijding
Appellant diende op 27 januari 2005 een aanvraag in bij het UWV voor vergoeding van een training. Het UWV wees deze aanvraag bij besluit van 7 februari 2005 af. Appellant verzocht op 31 maart 2005 om herbehandeling, waarna het UWV bij brief van 1 april 2005 de afwijzing herhaalde. Appellant maakte op 20 april 2005 bezwaar tegen deze brief, dat door het UWV ongegrond werd verklaard op 19 september 2005.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit gegrond, vernietigde het besluit en verklaarde het bezwaar tegen de brief van 1 april 2005 niet-ontvankelijk. Appellant ging hiertegen in hoger beroep. Hij stelde dat de brief van 1 april 2005 in de plaats trad van het oorspronkelijke besluit en dat het UWV het bezwaar ontvankelijk had verklaard.
De Raad oordeelde dat het primaire besluit van 7 februari 2005 een besluit in de zin van de Awb is, ondanks het ontbreken van een bezwaarclausule. De brief van 1 april 2005 was geen besluit omdat deze geen nieuw rechtsgevolg beoogde. Omdat het bezwaar van 20 april 2005 na afloop van de bezwaartermijn was ingediend en geen verschoonbare omstandigheden waren vastgesteld, was het bezwaar niet-ontvankelijk. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant tegen de brief van het UWV is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare omstandigheden.