ECLI:NL:CRVB:2008:BD1048
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap voor kinderbijslag op grond van sociale en economische binding
Appellante betwistte de beslissing van de Sociale Verzekeringsbank dat zij op de peildatum van het tweede kwartaal 2006 niet als ingezetene in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) kon worden aangemerkt. Het geschil betrof de vraag of zij voldoende sociale, economische en juridische binding met Nederland had om als ingezetene te worden beschouwd.
De Raad overwoog dat appellante sinds november 2001 in Nederland verbleef, maar slechts een tijdelijke verblijfsvergunning had gekregen op medische gronden, wat duidde op een tijdelijk verblijf. Zij had op de peildatum nog geen economische binding, aangezien zij pas kort daarvoor zelfstandige woonruimte had en een bijstandsuitkering ontving. Ook de sociale binding was zwak: geen familie, geen lidmaatschap van verenigingen of kerkgenootschappen en geen deelname aan cursussen.
De medische situatie van appellante, hoewel een vertragende factor, woog niet zwaar genoeg om ingezetenschap aan te nemen. Gezien de onderlinge samenhang van juridische, sociale en economische bindingen oordeelde de Raad dat appellante niet als ingezetene kon worden beschouwd. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Maastricht werd bevestigd.
Uitkomst: Appellante wordt niet als ingezetene beschouwd en is niet verzekerd krachtens de Algemene Kinderbijslagwet.