ECLI:NL:CRVB:2008:BD1176

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2398 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten

Appellante maakte bezwaar tegen een maatregel van het UWV waarbij haar WW-uitkering met 20% werd verlaagd gedurende 16 weken, omdat zij onvoldoende had gesolliciteerd voorafgaand aan haar werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij niet met concrete en verifieerbare gegevens kon aantonen dat zij voldoende sollicitatieactiviteiten had verricht.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad overweegt dat ook mondeling verrichte sollicitaties als concrete sollicitatieactiviteiten kunnen gelden, mits deze verifieerbaar zijn. Appellante heeft echter geen nadere gegevens verstrekt zoals data, bedrijfsnamen of telefoonnummers, waardoor haar sollicitaties niet verifieerbaar zijn.

De Raad concludeert dat de maatregel van het UWV terecht is opgelegd en dat de aangevallen uitspraak stand houdt. Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter T. Hoogenboom en is uitgesproken op 2 april 2008.

Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 20% gedurende 16 weken wordt bevestigd wegens onvoldoende verifieerbare sollicitatieactiviteiten.

Uitspraak

07/2398 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 maart 2007, 06/3967 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 april 2008.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Bij besluit van 18 november 2005 heeft het Uwv de vervolguitkering van appellante ingevolge de WW voortgezet met ingang van 30 september 2005. Daarbij is het uitkeringspercentage bij wijze van maatregel gedurende 16 weken met 20% verlaagd omdat appellante te weinig heeft gesolliciteerd voordat zij werkloos werd. Tevens is aan appellante een waarschuwing gegeven omdat zij niet op tijd heeft gemeld dat zij werkloos is geworden.
2.2. Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.3. Bij het bestreden besluit van 24 maart 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij het volgende overwogen -waarbij voor eiseres appellante en voor verweerder het Uwv gelezen dient te worden-:
“De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres niet -met bewijsstukken- heeft aangetoond dat zij in de betreffende periode voldoende sollicitatieactiviteiten heeft ontplooid. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiseres slechts, zonder onderbouwing met nadere gegevens, heeft aangevoerd te hebben gesolliciteerd. Dienaangaande neemt de rechtbank in aanmerking dat het hierbij moet gaan om concrete gegevens zodat verweerder deze sollicitatieactiviteiten ook kan controleren. Nu eiseres niet met nadere gegevens heeft aangetoond dat zij in de betreffende periode heeft gesolliciteerd en verweerder vanwege het ontbreken van gegevens niets kan controleren, moet ervan worden uitgegaan dat zij geen sollicitatieactiviteiten heeft verricht voorafgaande aan haar werkloosheid. Op grond van deze omstandigheden kan niet staande worden gehouden dat eiseres in voldoende mate heeft getracht passende arbeid te verwerven. Verweerder was derhalve gehouden een maatregel op te leggen. Nu de rechtbank voorts niet van omstandigheden is gebleken die tot het aannemen van verminderde verwijtbaarheid nopen, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft besloten eiseres een maatregel van 20% gedurende 16 weken op te leggen.”
4. De vraag of de aangevallen uitspraak stand kan houden beantwoordt de Raad bevestigend. Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd bevat in vergelijking met hetgeen eerder is aangevoerd geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten, terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven. De Raad merkt hierbij nog op dat, in tegenstelling tot hetgeen appellante meent, in voorkomende gevallen ook mondeling verrichte sollicitaties kunnen worden aangemerkt als concrete sollicitatieactiviteit. Echter ook bij mondeling verrichte sollicitaties moet zijn voldaan aan de eis dat deze sollicitatieactiviteiten verifieerbaar zijn. Appellante heeft over de beweerdelijke sollicitaties geen nadere gegevens, zoals data, (bedrijfs)namen en telefoonnummers, verstrekt. Gelet hierop dient geconcludeerd te worden dat de door appellante bedoelde sollicitaties niet verifieerbaar zijn, zodat hetgeen zij dienaangaande heeft aangevoerd niet tot het door haar gewenste doel kan leiden.
5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) P. Boer.
RH
11/4