ECLI:NL:CRVB:2008:BD1187

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6860 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek tot herziening ingediend tegen een eerdere uitspraak van 14 september 2006. Het verzoek werd ondersteund door stukken die verzoeker na de zitting van 3 augustus 2006 had gevonden, maar die al in zijn bezit waren vóór de uitspraak.

De Raad heeft overwogen dat het rechtsmiddel van herziening slechts openstaat bij het aantonen van nieuwe feiten of omstandigheden die voor de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. De door verzoeker overgelegde stukken voldoen hier niet aan omdat deze al eerder in zijn bezit waren.

Daarom concludeert de Raad dat het verzoek om herziening niet ontvankelijk is en wijst het verzoek af. Tevens worden geen proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

06/6860 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[verzoeker] (hierna: verzoeker),
tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 september 2006, kenmerk 05/5816 WW,
in het geding in hoger beroep tussen:
verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 april 2008.
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker is door zijn echtgenote, [naam echtgenote van appellant], verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 14 september 2006, 05/5816 WW.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens verzoeker zijn nadere stukken in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of van de zijde van verzoeker gronden zijn aangevoerd die tot herziening van de in rubriek I. vermelde uitspraak van de Raad van 14 september 2006 kunnen leiden.
1.1. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en heeft daartoe het volgende overwogen.
1.1.1. Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden
hebben kunnen leiden.
1.1.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
1.1.3. Verzoeker heeft gesteld de bij het verzoekschrift gevoegde stukken eerst na de zitting van de Raad d.d. 3 augustus 2006 te hebben gevonden en meent dat de Raad mede naar aanleiding van de in die stukken vervatte informatie tot een andere uitspraak zou moeten komen.
1.1.4. De Raad is van oordeel dat de bedoelde informatie niet kan worden aangemerkt als feiten of omstandigheden die verzoeker vóór de in geding zijnde uitspraak van de Raad niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. De desbetreffende stukken waren toen immers al in zijn bezit. Verzoekers verklaring dat hij deze stukken een week na de zitting van 3 augustus 2006 in de opslag heeft teruggevonden, kan hieraan niet afdoen.
2. Op grond van het voorgaande komt de Raad dan ook tot de conclusie dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.
3. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) P. Boer.
RH
28/3