ECLI:NL:CRVB:2008:BD1238
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Herziening en intrekking WAO-uitkering na medisch en arbeidskundig onderzoek
Betrokkene ontving sinds 1991 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, trok deze uitkering per 29 januari 2006 in na een medische herbeoordeling. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege onvoldoende motivatie van de bezwaarverzekeringsarts, met name omtrent beperkingen door depressie en urenbeperking.
In hoger beroep stelde appellant dat de medische en arbeidskundige beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de beperkingen integraal waren verwerkt in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De Raad oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts terecht geen beperkingen op het gebied van concentratie en geheugen had opgenomen, omdat deze stoornissen niet objectief waren vastgesteld. Tevens werd een laag energieniveau en mentale en fysieke beperkingen in de FML verwerkt.
De Raad verwierp het beroep tegen het tweede besluit, waarin de WAO-uitkering werd herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, mede op basis van een correcte aanpassing van de maatmanomvang. De Raad veroordeelde appellant tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd het hoger beroep van appellant deels gehonoreerd en het eerdere vernietigende vonnis van de rechtbank herroepen.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, de herziening van de uitkering bevestigd en appellant veroordeeld tot proceskostenvergoeding.