ECLI:NL:CRVB:2008:BD1268

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4863 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 75a WAOArt. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Brief over eigenrisicodragerschap WAO-uitkering is een besluit

De zaak betreft een geschil tussen een werkgever en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over de kwalificatie van een brief waarin UWV de werkgever informeert over de gevolgen van het eigenrisicodragerschap voor de betaling van een WAO-uitkering aan een ex-werknemer.

De werknemer kreeg vanaf 9 januari 2002 een WAO-uitkering toegekend. De werkgever vroeg toestemming om per 1 juli 2004 eigen risicodrager te worden, welke werd verleend. Vervolgens stuurde UWV op 9 februari 2005 een brief aan de werkgever waarin werd meegedeeld dat de werkgever vanaf die datum de WAO-uitkering moest betalen. De werkgever maakte bezwaar tegen deze brief, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelde echter dat de brief geen besluit was en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, waarna het beroep van de werkgever gegrond werd verklaard en het besluit werd vernietigd.

De Centrale Raad van Beroep stelt dat de brief wel als een besluit moet worden aangemerkt omdat deze een betalingsverplichting oplegt en daarmee rechtsgevolg heeft. Dit oordeel is in lijn met eerdere uitspraken van de Raad. De zaak wordt daarom vernietigd en terugverwezen naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling, waarbij ook de proceskosten en griffierecht opnieuw beoordeeld moeten worden.

Uitkomst: De brief over eigenrisicodragerschap is een besluit en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

06/4863 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 augustus 2006, 06/395 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[werkgever] (hierna: de werkgever),
en
appellant.
Datum uitspraak: 29 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Aan de heer [naam werknemer] (hierna: de werknemer), die voorheen werkzaam was bij de werkgever, is met ingang van 9 januari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.
1.2. De werkgever heeft aan appellant toestemming gevraagd om per 1 juli 2004 eigen risicodrager als bedoeld in artikel 75a van de WAO te worden. Appellant heeft die toestemming verleend.
1.3. Bij brief van 9 februari 2005 heeft appellant aan de werkgever bericht dat zij ingevolge artikel 75a van de WAO met ingang van 1 juli 2004 de aan de werknemer toegekende WAO-uitkering dient te betalen. Namens de werkgever is tegen die brief bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard. Namens de werkgever is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de brief van 9 februari 2005 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar een uitspraak van deze Raad van 11 november 2004, LJN AR5915. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat appellant ten onrechte het bezwaar van de werkgever ontvankelijk heeft geacht. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Ten slotte heeft de rechtbank appellant veroordeeld om de door de werkgever gemaakte proceskosten en het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.
3. In hoger beroep heeft appellant dit oordeel van de rechtbank bestreden.
De brief aan een eigen-risicodragende werkgever waarin is vermeld dat deze de WAO-uitkering van een bepaalde werknemer moet gaan betalen is volgens appellant een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De beslissing is gericht op rechtsgevolg omdat -aldus appellant- een expliciete toerekening van de uitkering aan de werkgever nodig is om een concrete betalingsverplichting in het leven te roepen. Ook uit het oogpunt van rechtsbescherming moet de werkgever tegen zo’n ‘toerekeningsbesluit’ een rechtsmiddel kunnen aanwenden.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. De Raad is van oordeel dat een brief aan een werkgever, bevattende informatie over de gevolgen van het eigenrisicodragerschap na toekenning van een WAO-uitkering aan een (ex)werknemer moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, strekkende tot het opleggen van een betalingsverplichting.
De Raad heeft dit eerder overwogen in zijn uitspraak van 10 oktober 2006, LJN AZ0127, naar welke uitspraak wordt verwezen. Tegen een dergelijk besluit staat bezwaar en beroep open.
4.2. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
4.3. Appellant heeft in zijn hoger beroepschrift verzocht om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, opdat in twee instanties geoordeeld kan worden over de inhoudelijke aspecten van de zaak. De Raad zal aan dit verzoek voldoen.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb. De Raad voegt hieraan toe dat het aan de rechtbank is om opnieuw te beslissen over de proceskosten van de werkgever in beroep. Ditzelfde geldt voor het vergoeden van het griffierecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Alkmaar.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Westerink-Hendriks als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.
(get.) H. Bolt.
(get.) A. Westerink-Hendriks.
TM