ECLI:NL:CRVB:2008:BD1302

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1337 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekkingsbesluit WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing arbeidskundige beoordeling

Appellante kreeg een WAO-uitkering die door het UWV per 13 september 2005 werd ingetrokken op grond van een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat zij de vastgestelde belastbaarheid en de geschatte functies passend achtte.

In hoger beroep stelde appellante dat haar medische beperkingen werden onderschat en dat zij de werkzaamheden niet kon verrichten. De Raad oordeelde dat er geen objectieve medische gegevens waren die twijfel zaaiden over de functionele mogelijkheden die het UWV vaststelde. De verklaring van de huisarts bevestigde chronische pijnklachten maar geen verergering of extra beperkingen op de datum in geding.

Wel werd een arbeidskundig rapport overgelegd dat voldoende motiveerde waarom de functies binnen het bereik van appellante lagen. Desondanks oordeelde de Raad dat het UWV in hoger beroep eerst deze arbeidskundige onderbouwing had moeten geven, wat niet was gebeurd. Daarom werd het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

06/1337 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 januari 2006, 05/3159 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 21 maart 2008. Appellante is verschenen bij mr. Volbeda. Het Uwv was niet vertegenwoordigd.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 12 juli 2005 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissende op bezwaar, de naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer berekende WAO-uitkering van appellante nader met ingang van 13 september 2005 ingetrokken onder overweging dat die mate per die datum minder dan 15% bedraagt.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen grond is om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van appellante op de datum in geding, 13 september 2005. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts niet gebleken dat appellante niet in staat kan worden geacht om met de voor haar vastgestelde belastbaarheid de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de aan de onderwerpelijke schatting ten grondslag gelegde geduide functies.
In hoger beroep heeft appellante zich evenals in beroep op het standpunt gesteld dat het Uwv de ernst en omvang van haar medische beperkingen heeft onderschat en zij op de datum in geding niet in staat was om de werkzaamheden te vervullen die zijn verbonden aan de haar door het Uwv voorgehouden functies.
Ten aanzien van de medische onderbouwing van het bestreden besluit overweegt de Raad dat appellante geen objectieve medische gegevens heeft ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde functionele mogelijkheden van appellante op de datum in geding. Appellante heeft zich ter zake uitsluitend beroepen op een op 6 juni 2005 gedateerde verklaring van haar huisarts, W.M. Ouburg. Uit deze verklaring, die door bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben is betrokken in zijn aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapportage van 13 juni 2005, kan echter niet worden afgeleid dat appellante op de datum in geding meer arbeidsbeperkingen had dan door het Uwv is aangenomen. Door de huisarts van appellante is aangegeven dat appellante al een jaar of vijftien (bij het Uwv bekende) chronische pijnklachten heeft. Van een verergering van deze gezondheidsklachten of van een nadere medische objectivering van de oorsprong ervan is daarbij echter geen melding gemaakt. Wel heeft de huisarts van appellante in zijn verklaring melding gemaakt van een lipoom in appellantes rechterbovenarm en van een geplande operatieve verwijdering daarvan, maar namens appellante is ter zitting van de Raad aangegeven dat dit lipoom pas na de datum in geding is verwijderd. Bovendien vindt de namens appellante geponeerde stelling dat bedoeld lipoom al eerder leidde tot in aanmerking te nemen arbeidsbeperkingen geen bevestiging in de stukken. Gelet op het voorgaande is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv het bestreden besluit heeft kunnen baseren op de rapportage van bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben van 13 juni 2005.
Ten aanzien van de arbeidskundige component van het bestreden besluit is hangende hoger beroep namens het Uwv een op 7 maart 2008 gedateerde rapportage overgelegd van bezwaararbeidsdeskundige T.E.A. de Groot. Daarbij is naar het oordeel van de Raad, in het licht van de voor appellante aangenomen arbeidsbeperkingen, alsnog genoegzaam gemotiveerd waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies op de datum in geding in medisch opzicht binnen het bereik van appellante liggen. De grieven die namens appellante zijn aangevoerd tegen het geschikt achten van de functie Medewerker tuinbouw (sbc-code 111010, functienummer Teelt-plant-oogstmedewerker), laat de Raad bij het voorgaande buiten beschouwing, aangezien de schatting niet op deze (reserve) functie is gebaseerd.
Nu het Uwv, gelet op de bij hem bekende jurisprudentie van de Raad, niet eerst in hoger beroep (afdoende) had moeten onderbouwen waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, op de datum in geding in medisch opzicht binnen het bereik van appellante liggen, moet het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd, en kunnen de rechtsgevolgen ervan geheel in stand worden gelaten. Hieruit volgt dat ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit ten onrechte in stand is gelaten, vernietigd moet worden.
De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,- voor in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en van € 644,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2008.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) E.M. de Bree.
JL