ECLI:NL:CRVB:2008:BD1315

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4449 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)DSM IV-criteria
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing beperkingen

Appellante ontving sinds 10 september 2002 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV beperkingen vast en werd de uitkering met ingang van 15 mei 2005 ingetrokken. In bezwaar en beroep werd onder meer betoogd dat bijwerkingen van medicijnen onvoldoende waren betrokken bij de beoordeling.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en achtte de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit toereikend. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel over de medische beoordeling, waarbij psychologische expertise was betrokken, en vond geen aanwijzingen voor ernstigere beperkingen dan aangenomen.

De Raad oordeelde echter dat de onderbouwing van de geschiktheid van de geselecteerde functies pas in hoger beroep toereikend was gegeven, waardoor het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak vernietigd moesten worden. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven echter in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van de geschiktheid van functies, met in stand blijvende rechtsgevolgen.

Uitspraak

06/4449 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 4 juli 2006, 05/1886 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J.M. Houben, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is op 11 september 2001 uitgevallen voor haar werk van districtsmanager bij een cosmeticabedrijf in verband met griep en hoge-bloeddrukklachten. Met ingang van 10 september 2002 heeft het Uwv appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Op 16 juni 2004 is appellante verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts, die appellante heeft onderzocht. Op verzoek van de verzekeringsarts is appellante onderzocht door de psychologen drs. W. Visscher en drs. H.J.H. Smeets. In hun expertiserapport van 19 augustus 2004 is geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van onderliggende persoonlijkheidsstoornissen of acute klinische stoornissen. Er kunnen wel (milde) psychologische mechanismen meespelen die men zou mogen rangschikken onder de noemer ongedifferentieerd somatoform, en die de ernst en duur van de klachten beïnvloeden. Appellante neigt ertoe om spanningen te vertalen in lichamelijke klachten. Toch kan over het algemeen gesteld worden dat haar psychische belastbaarheid niet ernstig beperkt is. Ze ervaart in dat opzicht weinig klachten of belemmeringen. De beperkingen ten aanzien van arbeid in psychologisch opzicht zijn dan ook te verwaarlozen. In navolging van de conclusies van dit rapport heeft de verzekeringsarts in zijn rapportage van 6 december 2004 overwogen dat er geen aanwijzingen zijn voor acute klinische stoornissen of persoonlijkheidsstoornissen conform DSM IV-criteria en dat de diagnose is “overige somatoforme stoornissen”. De verzekeringsarts heeft op de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) beperkingen gesteld voor persoonlijk en sociaal functioneren. De arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd die voor appellante geschikt worden geacht. Aan de hand van de loonwaarde van die functies heeft de arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit van appellante vastgesteld op 5%. Bij besluit van 15 maart 2005 is de uitkering met ingang van 15 mei 2005 ingetrokken.
In zijn rapportage van 11 oktober 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat appellante lijdt aan klachten van slapte, duizeligheid, hoofdpijn, moeheid en misselijkheid. Volgens de bezwaarverzekeringsarts zijn deze klachten niet te objectiveren als een angst- of paniekstoornis, maar is sprake van spanningsklachten die zich lichamelijk uiten. De bezwaarverzekeringsarts heeft een aantal van de door de verzekeringsarts op de FML gestelde beperkingen laten vervallen en een beperking ten aanzien van werkdruk toegevoegd. De bezwaararbeidsdeskundige heeft aan de hand van de bijgestelde FML een van de eerder geselecteerde functies laten vervallen. Op basis van geschiktheid voor de functies archiefmedewerker, medewerker bibliotheek (sbc-code 315130), productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) en inpakker handmatig (sbc-code 111190) is het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 8,64%. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Overwogen is, samengevat, dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist, althans toereikend is. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen zorgvuldig en is niet gebleken van medische gegevens waaruit ernstigere beperkingen zijn af te leiden. Ook de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank juist geacht.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts – mede gelet op de psychologische expertise – op zorgvuldige wijze verricht. Voor aanvaarding van de stelling van appellante dat de bijwerkingen van haar medicijnen niet zijn onderkend ziet de Raad geen grond. Het door appellante in hoger beroep overgelegde huisartsjournaal en het verslag van een bezoek van 17 september 2001 van appellante aan de spoedeisende hulp van het Laurentiusziekenhuis te Roermond bieden daarvoor geen aanknopingspunten, nog daargelaten dat deze informatie (grotendeels) geen betrekking heeft op de gezondheidstoestand van appellante op de hier aan de orde zijnde datum 15 mei 2005. Appellante heeft ook overigens geen informatie van de behandelend sector overgelegd waaruit blijkt dat zij meer beperkingen heeft dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen.
Appellante heeft gesteld dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de door haar overgelegde verklaringen van een vriend en van haar voormalige echtgenoot. De Raad wijst erop dat in het expertiserapport van 19 augustus 2004 is ingegaan op de vraag of haar lichamelijke klachten bijwerkingen zijn van de medicijnen. De bezwaarverzekeringsarts heeft het rapport op zorgvuldige wijze in zijn heroverweging betrokken. De Raad kan in de genoemde, van niet-medici afkomstige verklaringen dan ook geen aanleiding zien te twijfelen aan de juistheid van de aangenomen beperkingen.
Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige in de Notities functiebelasting van 11 oktober 2005 een motivering heeft gegeven van de geschiktheid van de geselecteerde functies op de aspecten waarbij sprake is van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 7 februari 2008 een nadere motivering gegeven van de geschiktheid op enkele aspecten van de functie van folieverwerker (sbc-code 272043). Naar het oordeel van de Raad is daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat de functies geschikt zijn voor appellante. Een toereikende onderbouwing van de geschiktheid van de functies is evenwel eerst in hoger beroep gegeven. Gelet op de jurisprudentie van de Raad van 12 oktober 2006 (onder meer LJN: AY9971) komen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit derhalve voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
MK