ECLI:NL:CRVB:2008:BD1315
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing beperkingen
Appellante ontving sinds 10 september 2002 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV beperkingen vast en werd de uitkering met ingang van 15 mei 2005 ingetrokken. In bezwaar en beroep werd onder meer betoogd dat bijwerkingen van medicijnen onvoldoende waren betrokken bij de beoordeling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en achtte de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit toereikend. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel over de medische beoordeling, waarbij psychologische expertise was betrokken, en vond geen aanwijzingen voor ernstigere beperkingen dan aangenomen.
De Raad oordeelde echter dat de onderbouwing van de geschiktheid van de geselecteerde functies pas in hoger beroep toereikend was gegeven, waardoor het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak vernietigd moesten worden. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven echter in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van de geschiktheid van functies, met in stand blijvende rechtsgevolgen.