ECLI:NL:CRVB:2008:BD1316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als salarisadministrateur, viel in mei 2001 uit wegens spier- en vermoeidheidsklachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80%. Later meldde hij zich volledig arbeidsongeschikt vanwege psychische klachten, waarna de uitkering werd verhoogd naar 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in 2005 door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd de uitkering verlaagd naar 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid.
Appellant maakte bezwaar tegen deze verlaging, stellende dat zijn belastbaarheid was overschat en dat bepaalde functies onterecht aan hem waren toegerekend, mede vanwege medicijngebruik. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, de medische beperkingen juist waren ingeschat en de arbeidskundige functies passend waren binnen de vastgestelde belastbaarheid.
De Raad benadrukte dat appellant zijn stellingen niet met medische stukken had onderbouwd en dat rekening was gehouden met zijn medicijngebruik. De motivering van de arbeidsdeskundige werd als voldoende en adequaat beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering naar 65-80% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.