ECLI:NL:CRVB:2008:BD1502
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering na ontbinding arbeidsovereenkomst en vergoeding
Appellant verzocht om een WW-uitkering na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst per 1 april 2006, waarbij de kantonrechter een vergoeding toekende van €5.332,96. Het UWV weigerde de WW-uitkering over de periode van 4 april tot 31 mei 2006, gelijkgesteld aan loon over die periode, met toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en verwierp het standpunt dat de ontbindingsdatum fictief op 1 april 2006 moest worden gesteld. Appellant stelde in hoger beroep dat de fictieve opzegtermijn van 1 april tot 1 mei 2006 moest gelden en verzocht om rectificatie van de kantonrechterlijke beschikking.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit, omdat geen gerectificeerde beschikking was overgelegd en het hoger beroep geen nieuwe gronden bevatte. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 19 maart 2008 gedaan door M.A. Hoogeveen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering over de periode na ontbinding van de arbeidsovereenkomst.