ECLI:NL:CRVB:2008:BD1506

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-72 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
06-72 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant ontving sinds oktober 2002 een WAO-uitkering wegens psychische klachten en lichamelijke klachten met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een eerstejaarsherbeoordeling heeft het UWV op 11 oktober 2004 besloten de uitkering per 20 oktober 2004 in te trekken, omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen en er geen sprake meer was van ziekte of gebrek in de zin van de WAO.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 21 februari 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd, mede gebaseerd op het rapport van een door het UWV ingeschakelde zenuwarts en aanvullende informatie van de behandelend arts. De rechtbank vond geen aanleiding om het besluit onzorgvuldig te achten.

In hoger beroep handhaaft appellant zijn standpunten, maar slaagt hierin niet. De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de rechtbank en oordeelt dat het UWV tot een zorgvuldige medische beoordeling is gekomen. De medische rapportages en aanvullende informatie bieden geen reden om het standpunt van de deskundige te verwerpen. Appellant heeft zijn bezwaren niet met nieuwe medische gegevens onderbouwd, waardoor het bestreden besluit en de intrekking van de WAO-uitkering terecht zijn.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

06/72 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 november 2005, 05/776 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 25 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 maart 2008, waar appellant niet is verschenen. Voor het Uwv is verschenen V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is in oktober 2001 uitgevallen voor zijn voltijdse werk als productiemedewerker leerindustrie wegens psychische klachten en rug- en hoofdpijnklachten. Per 8 oktober 2002 is aan appellant een uitkering op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Naar aanleiding van de eerstejaarsherbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 11 oktober 2004 de WAO-uitkering aan appellant per 20 oktober 2004 ingetrokken onder de overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt. Eerder, bij brief van verzekeringsarts W. Jansen van 19 augustus 2004, is aan appellant meegedeeld dat daaraan ten grondslag ligt dat, zoals is geconcludeerd in het daarbij gevoegde rapport van gelijke datum, er geen sprake meer is van ziekte of gebrek in de zin van de WAO.
Bij bestreden besluit van 21 februari 2005 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 oktober 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - geoordeeld dat de verzekeringsartsen op goede gronden de conclusie dat bij appellant geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld, mede hebben gebaseerd op het rapport d.d. 19 april 2004 van de door het Uwv als deskundige ingeschakelde zenuwarts prof. dr. E.J. Colon. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat Colon de psychische gesteldheid van appellant uitgebreid heeft onderzocht en zijn bevindingen genoegzaam heeft gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank was Colon in het onderhavige geval niet gehouden tot het inwinnen van medische informatie bij de behandelend zenuwarts B.J.M. Franssen. Het feit dat bij het verzoek om nadere informatie aan Franssen niet het volledige expertiserapport was toegestuurd, leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.
In hoger beroep handhaaft appellant hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd.
Naar het oordeel van de Raad ligt aan het bestreden besluit een zorgvuldige medische beoordeling ten grondslag. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de rapportages van de verzekeringsartsen niet alleen op eigen onderzoek zijn gebaseerd, maar ook op het expertiserapport van Colon. Tevens is de door Franssen in zijn brieven van 16 juni 2004 en 18 februari 2005 verstrekte informatie door de verzekeringsartsen bij de beoordeling betrokken. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze informatie onvoldoende aanknopingspunten biedt om het medische standpunt van Colon voor onjuist te houden, temeer daar Franssen eveneens heeft aangegeven dat appellant niet psychiatrisch gestoord is. Daaraan voegt de Raad nog toe dat appellant zijn standpunt dat hij zich niet kan vinden in de uitkomst van de psychiatrische expertise van Colon in hoger beroep niet nader met medische gegevens heeft onderbouwd.
Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het Uwv de WAO-uitkering aan appellant per 20 oktober 2004 terecht heeft ingetrokken op de grond dat er bij appellant per die datum geen sprake is van een ziekte of gebrek in de zin van de WAO.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2008.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) E.M. de Bree.
TM