ECLI:NL:CRVB:2008:BD1506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving sinds oktober 2002 een WAO-uitkering wegens psychische klachten en lichamelijke klachten met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een eerstejaarsherbeoordeling heeft het UWV op 11 oktober 2004 besloten de uitkering per 20 oktober 2004 in te trekken, omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen en er geen sprake meer was van ziekte of gebrek in de zin van de WAO.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 21 februari 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd, mede gebaseerd op het rapport van een door het UWV ingeschakelde zenuwarts en aanvullende informatie van de behandelend arts. De rechtbank vond geen aanleiding om het besluit onzorgvuldig te achten.
In hoger beroep handhaaft appellant zijn standpunten, maar slaagt hierin niet. De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de rechtbank en oordeelt dat het UWV tot een zorgvuldige medische beoordeling is gekomen. De medische rapportages en aanvullende informatie bieden geen reden om het standpunt van de deskundige te verwerpen. Appellant heeft zijn bezwaren niet met nieuwe medische gegevens onderbouwd, waardoor het bestreden besluit en de intrekking van de WAO-uitkering terecht zijn.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.