ECLI:NL:CRVB:2008:BD1548

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4558 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk directeur-grootaandeelhouder

Appellant, directeur-grootaandeelhouder van een autogaragebedrijf, vroeg een WAZ-uitkering aan wegens fysieke en psychische klachten die hem ongeschikt zouden maken voor zijn eigen werk en andere loonvormende arbeid. Een verzekeringsgeneeskundig onderzoek leidde tot een Functionele MogelijkhedenLijst (FML) waarin beperkingen werden vastgesteld, maar ook duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden. Een arbeidskundig onderzoek concludeerde dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk en niet als arbeidsongeschikt kon worden beschouwd.

Het Uwv wees de WAZ-aanvraag af omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt was per 31 december 2003. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant onvoldoende concrete gegevens over zijn werkzaamheden had verstrekt, waardoor een afgewogen oordeel mogelijk was.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat hij medisch zwaarder beperkt was dan vastgesteld. De Raad vond echter geen medische stukken die dit ondersteunden en wees erop dat het onderzoek op 8 maart 2005 bijna een uur duurde. De Raad concludeerde dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk en bevestigde de eerdere uitspraak. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering omdat appellant geschikt is voor zijn eigen werk.

Uitspraak

06/4558 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 juni 2006, 05/5725 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2007.
Betrokkene is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. C. Roele.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren in 1945, heeft, na jarenlang gedurende 40 uur per week directeur grootaandeelhouder van een autogaragebedrijf te zijn geweest, in juli 2004 een aanvraag om een WAZ-uitkering ingediend, stellende dat hij tengevolge van fysieke en psychische klachten ongeschikt is voor zijn eigen werk en evenmin in staat is tot het verrichten van welke andere loonvormende arbeid dan ook.
Hij heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek ondergaan dat op 8 maart 2005 heeft geleid tot de opstelling van een Functionele MogelijkhedenLijst (FLM) waarbij zijn medische beperkingen zijn vastgesteld. Daarbij is ook de conclusie getrokken dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag dient te worden gesteld op arbitrair 1 januari 2003, tenzij arbeidskundig onderzoek tot vaststelling van een andere dag aanleiding geeft. Voorts is uit de FLM af te leiden dat hij wordt verondersteld nog over duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid te beschikken.
Vervolgens heeft een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden dat op 30 mei 2005 heeft geleid tot de conclusies dat als eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair 1 januari 2003 moet blijven worden aangehouden, dat appellant geschikt moet worden geacht tot het volledig verrichten van zijn eigen (maatgevende) werk en dat hij dus niet als arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ kan worden beschouwd.
Bij besluit van 6 juni 2005 is appellants WAZ-aanvraag afgewezen onder overweging dat hij per 31 december 2003, in aansluiting op het einde van de wachttijd van 52 weken gerekend per 1 januari 2003, minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 10 oktober 2005 is appellants bezwaar tegen dat primaire besluit ongegrond verklaard, nadat de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige rapport hadden uitgebracht en beiden tot geen andere conclusie waren gekomen dan in de primaire fase getrokken.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het evenvermelde besluit op bezwaar ongegrond verklaard.
Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.
Het dossier bevat geen medische gegevens op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat 1 januari 2003 als - blijkens de gedingstukken in overleg met appellant - arbitrair vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet juist is.
In de primaire fase heeft het verzekeringsgeneeskundige onderzoek bestaan uit dossieronderzoek en lichamelijk onderzoek van appellant op 8 maart 2005. Daarbij zijn tevens betrokken de op 15 februari 2005 van appellants huisarts ontvangen gegevens, terwijl in de bezwaarfase eveneens dossierstudie is verricht door de bezwaarverzekeringsarts die vervolgens appellant heeft gezien tijdens de hoorzitting. Van onzorgvuldig onderzoek is dan ook geen sprake, aldus de rechtbank, die vervolgens heeft geconcludeerd dat er ook in de door appellant in beroep overgelegde medische gegevens geen aanknopingspunten zijn gelegen om zijn bij de FML vastgestelde medische beperkingen voor onjuist te houden. Uitgaande van die beperkingen heeft het Uwv appellant geschikt kunnen achten voor zijn maatgevende arbeid, aldus tot slot de rechtbank.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de aangevallen uitspraak niet juist is, omdat hij medisch gezien in diverse opzichten zozeer meer is beperkt dan bij de FML is vastgesteld dat hij onmogelijk nog kan werken, dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek in de primaire fase slechts 10 minuten heeft geduurd en dat dat onderzoek ook overigens niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft dan ook niet tot de aangevallen uitspraak kunnen komen.
Met hetgeen appellant heeft aangevoerd, is hij er niet in geslaagd de Raad ervan te overtuigen dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.
In hoger beroep heeft appellant geen op zijn persoon betrekking hebbende medische stukken overgelegd ter staving van zijn standpunt dat hij ten tijde in geding reeds in medisch opzicht ongeschikt was voor zijn maatgevende eigen werk. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant daarin ook in beroep niet geslaagd. De Raad kan zich vinden in dat oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank daartoe hebben gebracht. De door appellant in beroep ingebrachte medische stukken waren deels dermate oud (daterend van de negentiger jaren) dat zij niet in verband konden worden gebracht met de datum thans in geding en deels daterend van ná de datum in geding (met name afkomstig van de huisarts, acupuncturist en internist) zonder dat de inhoud ervan in verband kon worden gebracht met de datum in geding. Die datum houdt verband met de in de primaire fase in overleg met appellant (arbitrair) vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Appellant heeft geen medische of andere stukken ingebracht die afbreuk doen aan de keuze voor die datum. In het rapport van het op 8 maart 2005 verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoek is vermeld dat dat onderzoek bijna één uur heeft geduurd. Gelet op de inhoud van dat rapport komt het de Raad verre van aannemelijk voor dat dat onderzoek slechts 10 minuten heeft geduurd. Appellant heeft in zijn brief van 18 februari 2008 meerdere onderdelen van dat rapport als verzinsels en onzin betiteld, maar hij heeft geen stukken ingebracht ter ondersteuning van die kwalificaties. In dat rapport noch in de overige gedingstukken heeft de Raad aanknopingspunten kunnen vinden om te komen tot de conclusie dat het op 8 maart 2005 ingestelde verzekeringsgeneeskundige onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden.
Wat de aard en omvang van zijn werkzaamheden als directeur grootaandeelhouder betreft is appellant de meest gerede om daarover concrete gegevens te verstrekken en daarin inzicht te geven, maar afgaande op de gedingstukken is hij juist daarin nogal terughoudend geweest, waardoor hij het vormen van een afgewogen oordeel heeft bemoeilijkt. Op- en aanmerkingen van de kant van het Uwv daarover hebben appellant er niet toe gebracht daarin meer en beter inzicht te geven. Het risico dat aldus een volgens appellant niet compleet beeld van het eigen werk ontstaat, moet onder deze omstandigheden geheel voor rekening van appellant worden gelaten.
Gelet op het vorenstaande slaagt appellants hoger beroep niet.
De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2008.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) E.M. de Bree.
TM