ECLI:NL:CRVB:2008:BD1558
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellant meldde zich ziek in oktober 2001 vanwege fysieke en psychische klachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend voor 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Na onderzoek door een verzekeringsarts in december 2003 concludeerde deze dat appellant niet langer arbeidsongeschikt was. Het UWV trok daarom de WAO-uitkering per februari 2004 in.
Appellant maakte bezwaar en voerde onder meer aan dat zijn psychische klachten en communicatieproblemen met verzekeringsartsen onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat de medische rapporten en het onderzoek geen aanwijzingen bevatten die het primaire oordeel konden weerleggen. De Raad stelde vast dat appellant sinds februari 2004 als uitzendkracht werkte in de kippenslachterij en dat er geen medische gegevens waren die zijn arbeidsongeschiktheid ondersteunden.
De Raad vond ook dat de verzekeringsarts, ondanks taalbarrières, een zorgvuldig onderzoek had verricht zonder noodzaak van een tolk. Op grond van deze feiten en medische rapportages werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 19 februari 2004 wordt bevestigd.