Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1564

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/1113 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
  • M.A. Hoogeveen
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
06/1113 WW06/7189 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep inzake WW-uitkering vanaf 17 januari 2005

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Middelburg waarin haar beroep tegen een besluit van het Uwv over de weigering van een WW-uitkering per 9 mei 2005 ongegrond werd verklaard. Het Uwv had besloten dat appellante vanaf 10 januari 2005 geen recht had op WW-uitkering omdat zij niet voor ten minste de helft van haar gemiddelde uren werkloos was geworden. Een later besluit van 21 september 2005 ontzegde haar het recht op WW-uitkering vanaf 17 januari 2005, dat na bezwaar werd gehandhaafd.

De rechtbank had het beroep van appellante tegen het besluit van 9 mei 2005 ongegrond verklaard, maar had in een andere procedure het beroep van appellante tegen het besluit van 21 september 2005 gegrond verklaard. De Raad doet hierover afzonderlijk uitspraak. Omdat appellante met haar hoger beroep alleen een uitspraak wenst over het recht op uitkering vanaf 17 januari 2005 en de Raad hierover al apart beslist, ontbreekt het aan een procesbelang voor dit hoger beroep.

Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er wordt geen veroordeling in proceskosten opgelegd. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 maart 2008.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

06/1113 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 januari 2006, 05/480 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 maart 2008.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.C.C. Oudhoff, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Mr. Oudhoff heeft bij brief van 8 december 2006 een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2008. Appelante is verschenen, bijgestaan door mr. Oudhoff. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. van Hees, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 28 januari 2005 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij per 10 januari 2005 geen uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) kan krijgen omdat zij niet voor ten minste de helft van de uren die zij gemiddeld per week werkte werkloos is geworden. Bij besluit van 9 mei 2005 heeft het Uwv, voor zover hier van belang, het besluit van 28 januari 2005 gehandhaafd.
1.2. Bij besluit van 21 september 2005 heeft het Uwv per 17 januari 2005 aan appellante het recht op WW-uitkering ontzegd. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het Uwv niet in die opvatting gevolgd en het beroep van appellante gegrond verklaard. Op het hoger beroep van het Uwv tegen die uitspraak van de rechtbank (06/7189 WW) doet de Raad heden afzonderlijk uitspraak.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 9 mei 2005 ongegrond verklaard.
3.1. Appellante betwist niet dat zij per 10 januari 2005 geen recht heeft op WW-uitkering. Zij beoogt met haar hoger beroep uitsluitend een uitspraak te verkrijgen over haar recht op uitkering met ingang van 17 januari 2005. Zoals onder 1.2. is vermeld doet de Raad hierover afzonderlijk uitspraak, zodat appellante geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep. Daarom zal de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.A. Hoogeveen en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M.B. de Gooijer.
RH