ECLI:NL:CRVB:2008:BD1606
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurders voor sociale verzekeringspremies wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur
Appellanten, bestuurders van een BV, werden door het UWV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor niet-betaalde sociale verzekeringspremies over de jaren 2000 tot en met 2003, een bedrag van €433.347,88. Na bezwaar handhaafde het UWV deze besluiten. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten gegrond, maar het hoger beroep richtte zich op de vraag of sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
De Raad concludeerde op basis van fraudeonderzoeken dat er sprake was van systematische en opzettelijke zwartloonbetalingen, onvolledige personeelsadministratie en het ontbreken van identiteitsbewijzen. Dit leidde tot het oordeel dat appellanten als bestuurders verwijtbaar hebben gehandeld door onvoldoende toezicht te houden en kennelijk onbehoorlijk bestuur te voeren.
De Raad verwierp het verweer van appellanten dat zij zich konden verschonen vanwege handelen van bedrijfsleiders achter hun rug. De Raad stelde dat bestuurders actief toezicht moeten houden op het handelen van ondergeschikten. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde de beroepen ongegrond, waarmee de aansprakelijkheid van appellanten werd bevestigd.
De Raad oordeelde dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding was getreden door een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht te betrekken, en sprak geen proceskostenveroordeling uit.
Uitkomst: De beroepen van appellanten tegen de aansprakelijkstelling voor sociale verzekeringspremies worden ongegrond verklaard.