ECLI:NL:CRVB:2008:BD1805
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluit dat appellant niet meer ongeschikt is voor arbeid wegens ziekte
Appellant, werkzaam geweest als toezichthouder en later koerier, ontving een uitkering wegens ziekte. Het UWV besloot per 29 maart 2005 het ziekengeld stop te zetten omdat appellant niet langer ongeschikt was voor arbeid. Appellant voerde aan dat er op het spreekuur van 22 maart 2005 geen adequaat medisch onderzoek had plaatsgevonden en dat zijn knie- en polsklachten onverminderd waren.
De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant op 14 oktober 2005 onderzocht en aanvullende informatie ingewonnen bij de huisarts en neuroloog. Uit het onderzoek bleek dat de knie geen duidelijke functiebeperking vertoonde en dat de polsklachten geen belemmering vormden voor de maatgevende arbeid. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat het oordeel betrekking had op de situatie per 29 maart 2005.
Appellant stelde dat het onderzoek te laat was en niet representatief voor zijn toestand op de peildatum. De Raad vond echter geen aanwijzingen dat de gezondheidstoestand op die datum beter was dan bij het onderzoek. Ook een verslechtering na die datum leidde niet tot een ander oordeel. De Raad wees het beroep af en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant sinds 29 maart 2005 niet meer wegens ziekte ongeschikt is voor zijn arbeid.