ECLI:NL:CRVB:2008:BD1899
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en herziening WW-uitkering wegens onrechtmatige loonsverhoging
Appellant was tot februari 2005 bedrijfsleider bij een visfileerbedrijf dat in april 2005 failliet ging. Hij vroeg een WW-uitkering aan die werd toegekend op basis van een verhoogd loon vanaf oktober 2004. Het UWV ontdekte echter dat de lonen van werknemers toen ongebruikelijk waren verhoogd en dat deze verhoging niet was uitbetaald.
Het UWV trok de uitkering over de periode december 2004 tot maart 2005 in en herzag de uitkering vanaf maart 2005. Tevens werd het onverschuldigd betaalde bedrag van ruim €18.000 teruggevorderd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er een rechtens afdwingbare loonafspraak was met de directrice van het bedrijf en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel.
De Raad oordeelde dat geen schriftelijke afspraken bestonden, de loonsverhoging niet was uitbetaald en loonstroken onbetrouwbaar waren. Appellant had zijn inlichtingenplicht geschonden en het UWV was terecht overgegaan tot intrekking en herziening van de uitkering. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat in een vergelijkbare zaak de loonsverhoging wel was uitbetaald.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het beroep van appellant af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en herziening van de WW-uitkering wegens onrechtmatige loonsverhoging.