ECLI:NL:CRVB:2008:BD1909
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en maatstaf arbeid bij ziekmelding vanuit WW-uitkering
Appellante meldde zich op 15 april 2003 ziek voor haar werk als oproepkracht wegens psychische en lichamelijke klachten. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd haar belastbaarheid beperkt geacht, maar zij kon met beperkingen werkzaamheden verrichten. Het UWV kende haar op 9 april 2004 een WAO-uitkering toe, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Na een val op 27 oktober 2005 meldde appellante zich opnieuw ziek vanuit een WW-uitkering. Het UWV stelde op 6 februari 2006 vast dat zij geschikt was voor haar eigen werk en beëindigde het recht op ziekengeld. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellante dat haar klachten haar ongeschikt maakten voor haar werk. Het UWV gaf aan dat zij tussen april 2004 en oktober 2005 diverse periodes had gewerkt via een uitzendbureau, maar kon de aard en omvang van het werk niet volledig achterhalen. De Raad oordeelde dat de maatstaf arbeid onjuist was vastgesteld omdat niet was uitgegaan van de feitelijk verrichte arbeid direct voorafgaand aan de ziekmelding, maar van de functies geselecteerd bij de WAO-beoordeling.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.