ECLI:NL:CRVB:2008:BD2061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens ontbreken medische onderbouwing arbeidsongeschiktheid
Appellante ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch waarin haar beroep tegen de beëindiging van haar Ziektewetuitkering per 6 maart 2006 ongegrond werd verklaard.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt de beëindiging van de uitkering. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die haar standpunt ondersteunen dat zij op de datum van beëindiging niet in staat was om haar werk als productiemedewerkster van 20 uur per week te verrichten.
De Raad heeft de rapportages van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts betrokken, die ook informatie van de GGzE van 10 februari 2006 hebben meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat het werk licht en niet nekbelastend is en appellante in staat moet worden geacht dit werk te verrichten.
De aanvullende medische informatie van huisarts, fysiotherapeut en sociaal psychiatrisch verpleegkundige bevatte geen nieuwe gegevens die twijfel zouden kunnen doen ontstaan over de eerdere bevindingen. De Raad acht daarom geen reden voor een ander oordeel dan de rechtbank en bevestigt de beëindiging van de uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens het ontbreken van medische onderbouwing van arbeidsongeschiktheid.