ECLI:NL:CRVB:2008:BD2063

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2597 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongewijzigde vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid ondanks medische klachten

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch die het bezwaar van appellant tegen het UWV-besluit tot ongewijzigde vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid ongegrond verklaarde.

Appellant voerde aan dat zijn medische klachten en beperkingen door het UWV waren gebagatelliseerd en dat informatie van zijn internist niet was ingewonnen, met name over een stoornis in de ijzerhuishouding. Het UWV reageerde met rapporten van bezwaarverzekeringsartsen waarin werd gesteld dat deze stoornis inherent is aan de gediagnosticeerde aandoening en dus geen nieuwe bevinding vormt.

De Raad concludeerde dat de door appellant aangevoerde medische gegevens onvoldoende waren onderbouwd en dat het UWV deze voldoende had weerlegd. Er was geen aanleiding voor een nader medisch onderzoek. Tevens werd benadrukt dat de eigen opvatting van appellant over zijn arbeidsongeschiktheid niet beslissend is volgens het WAO-criterium.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door J.F. Bandringa en uitgesproken op 7 mei 2008.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ongewijzigde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant.

Uitspraak

06/2597 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 maart 2006, 05/1593 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2008. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.P.H.M. van Lieshout.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 28 april 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 oktober 2003 tot (ongewijzigde) vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 5 februari 2002 in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid door het Uwv niet zijn onderschat en dat er geen aanleiding bestaat tot het gelasten van een medisch deskundigenonderzoek.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn medische klachten en beperkingen door het Uwv zijn gebagatelliseerd en niet of onjuist in het dossier zijn opgenomen. In het bijzonder is door appellant gewag gemaakt van het niet inwinnen van informatie bij zijn behandelend internist. Uit een door die internist uitgevoerd laboratoriumonderzoek zou blijken van een nooit eerder gerapporteerde stoornis in de ijzerhuishouding van appellant.
Het Uwv heeft in het verweerschrift aangegeven dat de bezwaarverzekeringsarts op dit laatste heeft gereageerd met haar rapport van 2 juni 2005. Op verzoek van de Raad heeft een bezwaarverzekeringsarts met een rapport van 4 januari 2008 hierop andermaal inhoudelijk gereageerd. De bezwaarverzekeringsarts merkt op dat aan de gediagnosticeerde aandoening porfyria cutanea tarda een verlaagd ijzergehalte onlosmakelijk verbonden is en dit derhalve geen nieuwe of onverwachte bevinding is.
De Raad is, mede gelet op het bovenstaande, van oordeel dat hetgeen in hoger beroep door appellant is aangevoerd maar overigens niet is onderbouwd met nadere (medische) gegevens, door het Uwv voldoende is weerlegd en onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen van een nader medisch onderzoek. De Raad merkt daarbij nog op dat op grond van het arbeidsongeschiktheidscriterium van de WAO niet de eigen opvatting van een verzekerde dat hij of zij niet meer (volledig) kan werken beslissend is.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2008.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) E.M. de Bree.
CVG