ECLI:NL:CRVB:2008:BD2172

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5539 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlaging WAJONG-uitkering na zorgvuldige arbeidskundige onderbouwing in hoger beroep

Appellant ontvangt sinds 1993 een arbeidsongeschiktheidsuitkering die is omgezet in een WAJONG-uitkering. Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid bij en verlaagde de uitkering. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit.

De rechtbank onderschreef de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit, maar in hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat in de hoger beroepsfase een deugdelijke arbeidskundige onderbouwing is geleverd. De Raad achtte het medisch onderzoek zorgvuldig en vond geen aanleiding om het oordeel van de verzekeringsarts te betwijfelen.

De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens gebrekkige motivering in eerste aanleg, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand conform artikel 8:72 lid 3 Awb Pro. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed. De uitspraak bevestigt het belang van een gedegen arbeidskundige rapportage in procedures over uitkeringsverlaging.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.

Uitspraak

06/5539 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 augustus 2006, 06/229 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontvangt sedert 4 september 1993 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is nadien omgezet in een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). In het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts G. Abeling appellant onderzocht op het spreekuur van 7 juli 2005. Om meer duidelijkheid te verkrijgen over de belastbaarheid van appellant heeft de verzekeringsarts informatie opgevraagd bij de behandelend orthopeed van appellant. Op basis van zijn eigen onderzoek en de verkregen informatie van orthopedisch chirurg P.J.M. van Loon van 1 juli 2005 en 12 augustus 2005 concludeert Abeling dat appellant beperkt moet worden geacht in belasting van de rug, nek en in enige mate ook in de belasting van knieën, enkels, handen en armen. Met inachtneming van deze beperkingen heeft de verzekeringsarts de functionele mogelijkheden van appellant vastgelegd in een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 7 juli 2005. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige M.L.J.J. Bernaards op
11 augustus 2005 rapport uitgebracht. Zoals is aangegeven in dit rapport is hij tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt kan worden geacht voor drie functies die vanuit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) werden verkregen, te weten brugwachter/sluiswachter, administratief ondersteunend medewerker en assistent consultatiebureau. Op basis van deze functies heeft Bernaards de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 67,05%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 15 augustus 2005 de Wajong-uitkering van appellant met ingang van 16 oktober 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
Bij besluit van 3 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 augustus 2005 ongegrond verklaard.
Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven, daarbij overwegend dat appellant geen medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt in bezwaar en beroep herhaald – kort weergegeven – dat hij gelet op zijn beperkingen niet in staat is de voorgehouden functies te verrichten.
De Raad oordeelt als volgt.
Het medisch oordeel van de verzekeringsarts is gebaseerd op dossiergegevens en lichamelijk en psychisch onderzoek van appellant, waarbij de verzekeringsarts tevens informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector van appellant. Bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon heeft op basis van zijn bevindingen tijdens de hoorzitting van 28 november 2005 en dossieronderzoek geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om af te wijken van het primaire medische oordeel. De Raad is gelet op het vorenstaande – evenals de rechtbank heeft overwogen – van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De Raad acht daarbij van belang dat zowel verzekeringsarts Abeling als bezwaarverzekeringsarts Van Paridon de eerdergenoemde informatie van orthopedisch chirurg Van Loon bij hun beoordeling hebben betrokken. Nu appellant in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om de uitkomst van het medisch onderzoek voor onjuist te houden.
Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing overweegt de Raad het volgende.
Het Uwv heeft de Raad een rapport van bezwaararbeidsdeskundige P. van Kesteren van 7 september 2007 doen toekomen. Zoals is aangegeven in deze rapportage heeft de bezwaararbeidsdeskundige op basis van de FML van 7 juli 2005 de aan de schatting ten grondslag gelegde functies nogmaals beoordeeld en is, gemotiveerd, tot de conclusie gekomen dat de functieduiding in stand kan blijven. Mede gelet op deze nadere motivering is de Raad van oordeel dat de met de functies verbonden belasting valt binnen de belastbaarheid van appellant. Bezien in het licht van de in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 en volgende) neergelegde hogere eisen die moeten worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van schattingsbesluiten met behulp van het CBBS, en gelet op de uitspraak van 12 oktober 2006 (LJN: AY9971) is de Raad van oordeel dat in de hoger beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven, zodat er aanleiding bestaat het bestreden besluit te vernietigen, doch met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) P. van der Wal.
SSw