ECLI:NL:CRVB:2008:BD2189
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld onterecht wegens onvoldoende onderbouwing arbeidsgeschiktheid
Appellant, voormalig werknemer in de rozenkwekerij en bakkerij, kreeg vanaf 1 april 1997 een werkloosheidsuitkering. Na ziekmelding wegens psychische klachten op 12 november 1999, beëindigde het UWV op 26 april 2000 het ziekengeld omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. De Raad vernietigde eerder een besluit van het UWV en beval een herbeoordeling waarbij zowel het werk in de rozenkwekerij als in de bakkerij als maatstaf moest gelden.
Het UWV handhaafde het besluit op bezwaar, gebaseerd op een arbeidskundige rapportage en een bezwaarverzekeringsarts die concludeerde dat appellant geschikt was voor elk werk, inclusief nachtdiensten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze conclusie onvoldoende was onderbouwd, mede gelet op eerdere medische rapporten die beperkingen aantoonden.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beval het UWV een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten van appellant, inclusief vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.