ECLI:NL:CRVB:2008:BD2207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- R.C. Stam
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit toekenning WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering in hoger beroep
Appellant, een timmerman sinds 1986, viel op 6 oktober 2003 uit wegens gewrichts-, rug- en nekklachten, vastgesteld als osteoporose en artrose. Het UWV kende hem per 4 oktober 2004 een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 17 mei 2005 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat appellant in staat was om de door het UWV geselecteerde functies uit te oefenen.
In hoger beroep betwistte appellant zowel de medische als arbeidskundige grondslag van het besluit. De Raad stelde vast dat de beperkingen van appellant adequaat waren beoordeeld, inclusief zijn allergische klachten, en dat de functies passend waren. De Raad vond de motivering van het UWV in eerste aanleg onvoldoende, omdat in hoger beroep de beperkingen waren aangepast, wat leidde tot het vervallen van enkele voorbeeldfuncties.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit voor zover het de toekenning van de WAO-uitkering per 4 oktober 2004 betrof, maar bepaalde dat de rechtgevolgen van het besluit volledig in stand blijven. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot toekenning van de WAO-uitkering per 4 oktober 2004 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtgevolgen blijven in stand.