ECLI:NL:CRVB:2008:BD2232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling eerste dag toegenomen arbeidsongeschiktheid en WAO-dagloon
Appellant was werkzaam in een WSW-dienstverband en stopte op 16 augustus 1999 vanwege gezondheidsklachten. Na een wachttijd van 52 weken werd een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-45%. Op 31 mei 2001 meldde de werkgever een verslechtering van de gezondheidstoestand, waarna het UWV de arbeidsongeschiktheid herzag naar 80-100% met ingang van 28 juni 2001.
Appellant voerde aan dat de vaststelling van de eerste dag van toegenomen arbeidsongeschiktheid arbitrair was en dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn werkzaamheden als lid van de ondernemingsraad. Tevens betwistte hij de hoogte van het WAO-dagloon, stellende dat dit gebaseerd moest zijn op een 36-urige werkweek in plaats van de gehanteerde 50% van 36 uur.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts terecht de visie van de werkgever volgden. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel, vond geen nieuwe medische gegevens die tot een ander oordeel leidden en bevestigde dat de dagloonberekening conform artikel 40 van Pro de WAO juist was toegepast. De Raad achtte geen gronden aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb en bevestigde de bestreden uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de eerste dag van toegenomen arbeidsongeschiktheid en het WAO-dagloon door het UWV.