ECLI:NL:CRVB:2008:BD2346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan beschikbaarheidsvereiste
Appellant verzocht op 21 april 2006 om een WW-uitkering met ingang van 7 maart 2005. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag af omdat appellant niet beschikbaar was om arbeid te verrichten. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende had aangetoond dat hij op de gevraagde datum voldeed aan het beschikbaarheidsvereiste van de Werkloosheidswet.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukt dat bij een aanvraag die geruime tijd na het ontstaan van de werkloosheid wordt ingediend, appellant overtuigend moet aantonen dat hij op dat moment aan alle voorwaarden, waaronder beschikbaarheid voor arbeid, voldeed. De enkele verklaring van appellant dat hij beschikbaar was, is onvoldoende bewijs.
De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en stelt vast dat uit de stukken en de zitting blijkt dat appellant zijn beschikbaarheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WW-uitkering wegens het niet voldoen aan het beschikbaarheidsvereiste.