ECLI:NL:CRVB:2008:BD2729

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3461 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
  • R.L. Rijnen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als orderpikker, werd door het UWV de WAO-uitkering geweigerd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onzorgvuldige voorbereiding, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. In hoger beroep stelde appellante dat de medische en arbeidskundige beoordelingen onjuist waren.

De Centrale Raad van Beroep onderzocht ambtshalve de totstandkoming van de uitspraak van de rechtbank en concludeerde dat deze niet rechtsgeldig tot stand was gekomen omdat de rechtbank zonder hernieuwde toestemming van het UWV de zaak buiten zitting had afgedaan na indiening van nieuwe stukken. Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank.

De Raad beoordeelde vervolgens inhoudelijk het bestreden besluit en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de medische en arbeidskundige gronden voldoende waren gemotiveerd en dat de functies die appellante kon verrichten passend waren bij haar opleidingsniveau. De Raad vernietigde het besluit van het UWV, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Tevens werd het griffierecht aan appellante vergoed.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd wegens procedurefout, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

06/3461 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 12 mei 2006, 05/80 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Köse, advocaat te Rotterdam hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 25 februari 2008 (met bijlagen) heeft het Uwv een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2008. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Küçükünal, kantoorgenoot van mr. Köse. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was werkzaam als orderpikker. Zij heeft zich op 9 mei 2003 ziekgemeld wegens diverse lichamelijke klachten en psychische klachten.
1.2. Bij besluit van 4 augustus 2004 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 7 mei 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per die datum minder dan 15% bedraagt.
1.3. Het door appellante tegen dat besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 16 december 2004 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit van 16 december 2004 (hierna: bestreden besluit) vernietigd vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het Uwv appellante aan een psychologische expertise heeft onderworpen in plaats van, zoals aan haar was meegedeeld, aan een psychiatrische expertise en dat de verzekeringsartsen hun oordeel mede hebben gebaseerd op het door de psycholoog uitgebrachte rapport. De rechtbank heeft aanleiding gezien met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv hangende de beroepsprocedure alsnog een psychiatrische expertise heeft laten verrichten door psychiater M. Kazemier en dat de bezwaarverzekeringsarts hierin geen aanleiding heeft gezien het standpunt te wijzigen. De rechtbank zag geen aanleiding de juistheid van de door het Uwv overgenomen conclusie in twijfel te trekken, nu niet is gebleken dat de medische beoordelingen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen dan wel inhoudelijk niet concludent zijn. Niet is gebleken dat de verzekeringsartsen geen rekening hebben gehouden met de klachten van appellante. Het rapport van Kazemier deed de rechtbank evenmin twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. Met betrekking tot de arbeidskundige aspecten van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling overwoog de rechtbank dat zij geen aanknopingspunten zag voor de conclusie dat de arbeidskundige beoordelingen (aangaande de passendheid van de functies in medisch opzicht en het voor de functies vereiste opleidingsniveau) op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.
De rechtbank heeft ten slotte beslissingen gegeven over vergoeding aan appellante van proceskosten en grifierecht.
3. Het hoger beroep van appellante is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Appellante heeft verwezen naar hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Daarnaast stelt zij dat zij bij de rechtbank duidelijke bezwaren heeft aangevoerd tegen het rapport van psychiater Kazemier van 21 november 2005 en gemotiveerd het standpunt heeft ingenomen dat aan dit rapport niet al te veel waarde moet worden gehecht; volgens appellante dient aan de rapportages van de behandelend sector meer waarde te worden gehecht. De opgestelde Functionele mogelijkhedenlijst (FML) geeft volgens appellante geen juiste weergave van haar beperkingen; een aangepaste FML zal ook leiden tot het vervallen van de geduide functies.
Voorts heeft appellante haar bezwaar tegen het voor haar gehanteerde opleidingsniveau herhaald.
4. De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding ambtshalve te onderzoeken of de aangevallen uitspraak op juiste wijze tot stand is gekomen.
4.1.1. In artikel 8:57 van Pro de Awb is aan de rechtbank de bevoegdheid verleend om een onderzoek ter zitting achterwege te laten indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven.
4.1.2. Van de zijde van het Uwv is desgevraagd bij brief van 29 november 2005 toestemming verleend voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. Vervolgens zijn namens appellante bij brief van 2 december 2005 aanvullende gronden ingediend bij de rechtbank. Voorts heeft appellante bij formulier van diezelfde datum toestemming verleend om de behandeling van het beroep ter zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft de door appellante ingediende stukken doorgezonden naar het Uwv en vervolgens zonder (nadere) behandeling ter zitting uitspraak gedaan.
4.1.3. De Raad is van oordeel dat vorenomschreven wijze van totstandkoming van de aangevallen uitspraak in strijd is met artikel 8:57 van Pro de Awb. De Raad overweegt, onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie terzake, dat in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, het de rechter niet vrij staat om zonder meer op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is in die situatie eerst mogelijk indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde gedingstukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft. In het onderhavige geval heeft de rechtbank partijen om toestemming in de zin van meergenoemd artikel verzocht, maar de Raad is niet gebleken dat het Uwv nogmaals toestemming heeft verleend voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting.
4.1.4. Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, als zijnde in strijd met artikel 8:57 van Pro de Awb, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.
4.2. Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de zaak zonder terugwijzing afdoen.
4.3. Appellante heeft het oordeel van de rechtbank aangaande de vernietiging van het bestreden besluit vanwege de onzorgvuldige voorbereiding niet bestreden. De Raad zal om die reden hierover geen oordeel geven en - vanwege de vernietiging van de aangevallen uitspraak om de onder 4.1.4 genoemde formele reden - het bestreden besluit andermaal vernietigen.
4.4. De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand heeft gelaten.
4.4.1. Voor wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat hij het oordeel van de rechtbank geheel onderschrijft. De Raad voegt daar naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd nog aan toe geen aanleiding te zien doorslaggevende betekenis toe te kennen aan het oordeel van de behandelend zenuwarts B.J.M. Franssen, nu juist dat oordeel voor het Uwv aanleiding is geweest appellante nader te laten onderzoeken door (uiteindelijk) psychiater Kazemier. Ook overigens ziet de Raad geen reden het oordeel van Franssen te volgen; in dit verband overweegt de Raad de reactie van het Uwv op dit oordeel zoals verwoord in de rapportage van bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan van 21 augustus 2006 te onderschrijven.
4.4.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat gelet op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige M. Kokenberg-van Loon van 25 februari 2008 de schatting is gebaseerd op de functies textielproductenmaker, productiemedewerker industrie en productiemedewerker textiel. De Raad is van oordeel dat het Uwv op voldoende wijze inzichtelijk heeft gemaakt dat de belasting in de functies die aan de schatting ten grondslag liggen de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.
4.4.3. Ten aanzien van het aan appellante toegekende opleidingsniveau in relatie tot het opleidingsniveau van de geduide functies overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige F.H.R. Govers in zijn rapportage van 15 december 2004 afdoende heeft gemotiveerd dat appellante voldoet aan de kwalificaties voor opleidingsniveau 2. Appellante moet derhalve in staat worden geacht geduide functies – waarin sprake is van opleidingsniveau 2 respectievelijk 1 – ook qua opleidingsniveau te kunnen verrichten.
4.5. Uit de overwegingen onder 4.4.1 t/m 4.4.3 volgt dat de Raad de onder 4.4. vermelde vraag bevestigend beantwoordt.
4.6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu hij inhoudelijk tot dezelfde uitkomst komt als de rechtbank.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist over de proceskosten en het griffierecht;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 december 2004 gegrond en vernietigt dit besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2008.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) R.L. Rijnen.
JL