ECLI:NL:CRVB:2008:BD2815
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over ongeschiktheid voor arbeid wegens rugklachten
Appellante, werkzaam als telefoniste/receptioniste, meldde zich op 1 november 2004 ziek wegens rugklachten vanuit een WW-uitkering. Na medisch onderzoek werd zij per 1 augustus 2005 hersteld verklaard en geschikt geacht voor rugsparend werk. Zij meldde zich opnieuw ziek op 1 augustus 2005, waarna het UWV haar per 29 augustus 2005 niet langer ongeschikt achtte en het recht op ziekengeld introk.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij nog niet geschikt was voor haar werk en dat de beschrijving van haar werkzaamheden onjuist was. Het UWV trok het eerste besluit in en nam een nieuw besluit, waarin het bezwaar opnieuw werd afgewezen.
De Raad oordeelde dat de maatstaf voor arbeid de laatstelijk feitelijk verrichte functie van telefoniste/receptioniste is. Medische rapportages en een werkplekonderzoek toonden aan dat appellante geschikt was voor rugsparend werk met voldoende mogelijkheden tot vertreding. De informatie van neuroloog en fysiotherapeut bood onvoldoende aanleiding tot twijfel aan deze bevindingen.
De Raad verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en vernietigde dit, maar verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Er werd geen schadevergoeding toegekend. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante, begroot op €1.288,--.
Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard.