ECLI:NL:CRVB:2008:BD2829
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing
Appellant was werkzaam als medewerker buurtbeheer en viel in 1997 uit wegens nekklachten. Na een periode van werkloosheid en een toegekende WAO-uitkering werd deze in 2005 ingetrokken op basis van een arbeidsdeskundig rapport dat stelde dat appellant geen verlies aan verdiencapaciteit had. Na bezwaar werd de uitkering deels hersteld en opnieuw ingetrokken per september 2005, gebaseerd op een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundige rapportages.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige grondslagen van het besluit. Appellant stelde echter dat hij ongeschikt was voor de functie van meteropnemer vanwege beperkingen aan zijn linkerhand, knieën en trillingsbelasting. De Raad oordeelde dat de medische beperkingen niet in geschil waren en dat de arbeidsdeskundige rapportages voldoende inzicht en motivering boden voor de geschiktheid van de functies, waaronder de meteropnemer.
De Raad concludeerde dat de arbeidskundige onderbouwing pas in hoger beroep toereikend was gegeven, waardoor het bestreden besluit vernietigd werd wegens strijd met de Awb. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.