ECLI:NL:CRVB:2008:BD3335

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5111 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 8:75 AwbArt. 64 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening rechtens onaantastbaar besluit inzake opzegtermijn WW

Appellant, geboren in 1942 en sinds 1985 werkzaam bij zijn werkgever, die in 2003 failliet werd verklaard, vroeg het UWV om overname van betalingsverplichtingen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het UWV stelde de opzegtermijn vast op zes weken in een besluit van 23 juni 2003, waartegen geen bezwaar werd gemaakt.

Appellant stelde dat een eerdere uitspraak van de Raad van 27 april 2005 een langere opzegtermijn voor hem impliceerde en verzocht het UWV om herziening van het besluit. Het UWV wees dit verzoek af op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit bestreden besluit ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad overwoog dat de eerdere uitspraak van de Raad geen nieuw feit of omstandigheid was in de zin van artikel 4:6 Awb Pro en dat het risico van een onjuiste uitleg van een besluit voor rekening van de betrokkene blijft. Het verzoek om terug te komen op het besluit werd daarom terecht afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot terugkomen op het rechtens onaantastbare besluit over de opzegtermijn WW wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

07/5111 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2007, 06/3326 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 mei 2008.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2008. Appellant is verschenen. Het Uwv is -met bericht- niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
1.1. Appellant, geboren in 1942, was sinds 1985 werkzaam voor [naam werkgever], laatstelijk in de functie van advisory director. De werkgever is op 20 mei 2003 in staat van faillissement verklaard. Appellant heeft bij het Uwv een aanvraag ingediend om zekere betalingsverplichtingen van zijn werkgever op grond van Hoofdstuk IV van de WW over te nemen. Het Uwv heeft daarop onder meer bij besluit van 23 juni 2003 beslist en daarbij de opzegtermijn als bedoeld in artikel 64, aanhef en onder b, van de WW op zes weken gesteld. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt.
1.2. Appellant stelt dat uit de uitspraak van de Raad van 27 april 2005, LJN AT4656, RSV 2005/215 en USZ 2005/267, voortvloeit dat voor hem een langere opzegtermijn geldt en heeft het Uwv bij brief van 12 augustus 2005 verzocht opnieuw de opzegtermijn vast te stellen. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 30 januari 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv appellant, onder verwijzing naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te kennen gegeven dat zijn verzoek om terug te komen van het rechtens onaantastbare besluit van 23 juni 2003 afgewezen. Volgens het Uwv kan voormelde uitspraak van de Raad niet als nieuw feit of nieuwe omstandigheid worden aangemerkt als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv gevolgd dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
3. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel met betrekking tot het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Hij heeft daartoe het volgende overwogen.
3.1. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting overweegt de Raad allereerst dat het standpunt van appellant dat hij met zijn brief van 16 augustus 2003 bezwaar heeft aangetekend tegen het besluit van 23 juni 2003, niet kan worden gevolgd reeds omdat die brief geen betrekking heeft op een uitkering ingevolge Hoofdstuk IV van de WW, maar op de uitkering ingevolge Hoofdstuk IIa van de WW (de “gewone” WW-uitkering).
3.2. De Raad overweegt verder als volgt.
3.2.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
3.2.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. De uitspraak van de Raad van 27 april 2005 kan op zichzelf niet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Daarbij moet het immers gaan om feiten en omstandigheden die betrekking hebben op het oorspronkelijke besluit en daarvan is hier geen sprake. De Raad voegt daaraan nog toe dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer zijn uitspraak van 21 maart 2001, LJN AB1691, RSV 2001/151) als uitgangspunt dient dat het enkele feit dat uit een later gedane rechterlijke uitspraak blijkt dat een besluit berust op een onjuiste uitleg of verkeerde toepassing van een wettelijk voorschrift, voor risico blijft van de betrokkene die in dat besluit heeft berust.
3.2.3. Op grond van het vorenstaande was het Uwv op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb bevoegd het verzoek van appellant af te wijzen, waarbij de Raad nog opmerkt dat de hier aan de orde zijnde aanspraak van appellant geen duuraanspraak betreft. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
4.1. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
BvW