ECLI:NL:CRVB:2008:BD3429

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4220 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 2 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant verrichtte werkzaamheden als inpakker vanaf september 2003, maar viel uit wegens longklachten. Het UWV weigerde per januari 2005 een WAO-uitkering toe te kennen omdat appellant niet als arbeidsongeschikt werd beschouwd volgens artikel 18 lid 2 WAO Pro.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, steunend op de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn belastbaarheid was afgenomen door duizelingen en trillende handen en dat hij de door het UWV voorgestelde functies niet kon verrichten.

De Raad stelde vast dat het UWV zowel de medische als arbeidskundige beoordeling correct had uitgevoerd, inclusief het opstellen van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Appellant bracht geen nieuwe medische stukken in en zijn argumenten boden geen nieuwe inzichten. Daarom kon het hoger beroep niet slagen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WAO-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

06/4220 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juni 2006, 05/7994 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.A. Lucardie, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2008. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Graaff.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is per 10 september 2003 werkzaamheden gaan verrichten als inpakker bij een postbedrijf. Op 21 november 2003 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens longklachten.
1.2. Bij besluit van 5 januari 2005 heeft het Uwv geweigerd aan appellant per 19 november 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat appellant op grond van artikel 18, tweede lid, van de WAO niet als arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt beschouwd.
2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich - kort weergegeven - kunnen verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd - kort weergegeven - dat er niet voldoende indicaties aanwezig waren voor het bestaan van arbeidsongeschiktheid bij aanvang van zijn verzekering ingevolge de WAO, dat zijn belastbaarheid sinds 10 september 2003 is afgenomen als gevolg van duizelingen en trillende handen en dat hij door zijn klachten de hem door het Uwv geduide functies niet kan verrichten.
5. De Raad overweegt het volgende.
5.1. De Raad stelt vast dat het Uwv bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling, in het kader waarvan een Functionele mogelijkheden lijst (FML) is opgesteld, de belastbaarheid van appellant heeft beoordeeld zowel per einde van de wachttijd als per datum van aanvang van appellants verzekering ingevolge de WAO op 10 september 2003. De Raad heeft voorts vastgesteld dat het Uwv in het kader van de arbeidskundige beoordeling aan appellant functies heeft voorgehouden die hij zou kunnen verrichten, zowel per einde van de wachttijd als per datum van aanvang van appellants verzekering ingevolge de WAO.
5.2. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen over de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. In hoger beroep heeft appellant geen nadere medische stukken in geding gebracht. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2008.
(get.) H. Bolt.
(get.) M.D.F. de Moor.
JL