ECLI:NL:CRVB:2008:BD3748

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6209 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering wegens korting op WAO-uitkering na wijziging arbeidsongeschiktheidsklasse

Appellante ontving een WAO-uitkering die sinds 1980 werd berekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Het UWV heeft bij besluit op bezwaar van 26 augustus 2004 haar uitkering aangepast naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%, vanwege inkomsten uit arbeid. Vervolgens is bij besluit van 7 december 2005 een terugvordering van €6.676,92 opgelegd voor de periode van 21 april 2003 tot en met 31 juli 2004.

Appellante maakte bezwaar tegen deze terugvordering, maar het UWV handhaafde het besluit bij beslissing op bezwaar van 24 maart 2006. De rechtbank Breda verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellante haar grieven, gebaseerd op dringende redenen en het vertrouwensbeginsel, maar voegde geen nieuwe argumenten toe.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de aangevoerde gronden onvoldoende waren om het eerdere oordeel te wijzigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen omstandigheden die toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht rechtvaardigden. De Raad sprak de uitspraak uit in aanwezigheid van de griffier en de leden van de meervoudige kamer op 30 mei 2008.

Uitkomst: De terugvordering van het teveel betaalde bedrag op de WAO-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

06/6209 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 september 2006, 06/1541 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 30 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2008.
Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.M.W. van der Helm.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit op bezwaar van 26 augustus 2004 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat haar uitkering, die laatstelijk sinds 1980 berekend werd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, in verband met inkomsten uit arbeid wordt uitbetaald overeenkomstig de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.
Vervolgens is aan haar bij besluit van 7 december 2005 meegedeeld dat het over de periode 21 april 2003 tot en met 31 juli 2004 teveel betaalde bedrag aan uitkering ad € 6.676,92 van haar wordt teruggevorderd.
Bij beslissing op bezwaar van 24 maart 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Van deze uitspraak is appellante in hoger beroep gekomen, waarbij zij haar reeds eerder naar voren gebrachte grieven, neerkomend op een beroep op het dringende redenen en het vertrouwensbeginsel, heeft herhaald.
Het Uwv heeft bij wijze van verweer volstaan met een verwijzing naar de aangevallen uitspraak. Desgevraagd door de Raad is nog wel een schriftelijke toelichting gegeven, en ter zitting zijn excuses aangeboden voor de verwarring die bij appellante is ontstaan naar aanleiding van door hem met appellante gevoerde correspondentie, die door appellante bij schrijven van 2 april 2008 in het geding is gebracht. Deze betrof onduidelijkheden in de berekening van de hoogte van het terug te betalen bedrag als gevolg van het besluit van 26 augustus 2004 voornoemd, waarbij het bezwaar tegen een eerder besluit van
25 mei 2004 gegrond was verklaard.
De Raad oordeelt dat hetgeen appellante naar voren heeft gebracht niet leidt tot een gegrondverklaring van het hoger beroep. Hetgeen zij in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank, zodat deze moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
TM