ECLI:NL:CRVB:2008:BD3771
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag restitutie onverschuldigd betaalde Ziektewetpremies
Appellante verzocht op 23 december 2002 om restitutie van onverschuldigd betaalde premies in het kader van de slotverplichting Ziektewet over het premiejaar 1996. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees dit verzoek bij besluit van 10 februari 2006 af op grond van artikel 4:6 Awb Pro, waarna de bezwaren ongegrond werden verklaard.
De Raad overwoog dat de bevoegdheid tot premievaststelling en de verjaringstermijnen zijn geregeld in artikel 11 en Pro 13 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). De restitutieverzoeken moeten worden aangemerkt als besluiten tot premievaststelling, waarop een verjaringstermijn van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarover de premie verschuldigd is, van toepassing is. De premienota van 6 augustus 1997 betrof het premiejaar 1996, waardoor de termijn op 1 januari 2002 was verstreken.
Het beroep van appellante op artikel 13, derde lid, CSV, dat ziet op de verjaring van de rechtsvordering tot terugbetaling na een herzieningsbesluit, kon niet slagen. De Raad stelde vast dat het verzoek om restitutie tijdig was ingediend, maar niet kon worden toegewezen omdat de termijn voor vaststelling van de premie was verstreken. Nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren niet aannemelijk gemaakt.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 april 2007 bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om restitutie van onverschuldigd betaalde Ziektewetpremies wordt afgewezen wegens verjaring.