ECLI:NL:CRVB:2008:BD3778

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2039 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing eerstejaarsherbeoordeling WAO-uitkering ondanks betwisting medische beperkingen

Appellante, die haar werk als schoolassistente wegens gezondheidsklachten had gestaakt, kreeg een WAO-uitkering toegekend op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) uit oktober 2003. Na een eerstejaarsherbeoordeling in 2004 handhaafde het UWV het besluit om de uitkering voort te zetten met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%.

Appellante stelde in hoger beroep dat haar medische beperkingen waren toegenomen en dat de verzekeringsarts verouderde gegevens gebruikte. De Raad oordeelde echter dat de verzekeringsarts haar beoordeling baseerde op actueel eigen onderzoek en recente medische informatie, en dat de verwijzing naar de FML uit 2003 niet betekende dat verouderde gegevens werden gebruikt.

Daarnaast faalde appellantes stelling dat haar beperkingen werden onderschat, omdat zij dit niet met medische stukken onderbouwde. De verklaring van haar huisarts ondersteunde deze stelling niet. De Raad zag geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts of aan de geschiktheid van de door het UWV voorgestelde functies.

De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank Middelburg en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV om de WAO-uitkering ongewijzigd voort te zetten.

Uitspraak

06/2039 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 24 februari 2006, 05/357 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 juni 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld en een verklaring van de huisarts van appellante ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nadere arbeidskundige rapportage toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2008. Namens appellante is mr. Wouters verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma.
II. OVERWEGINGEN
1. Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 22 maart 2005 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hierbij heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 22 september 2004, waarbij de eerder aan appellant toegekende WAO-uitkering ongewijzigd is voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. De Raad gaat uit van de volgende, door partijen niet bestreden, feiten.
3.1. Appellante heeft haar werk als schoolassistente met ingang van 13 september 2002 wegens vermoeidheid, buik-, arm- en rugklachten gestaakt.
3.2. In juli 2003 heeft een psychiatrische expertise plaatsgevonden. Op basis van deze rapportage, inlichtingen van de appellante behandelende artsen en eigen medisch onderzoek, is op 10 oktober 2003 een zogenaamde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Hieruit blijkt dat appellante is aangewezen op werkzaamheden zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Tevens zijn er beperkingen ten aanzien van duwen, tillen, lopen en staan aangegeven. Ook is een duurbeperking aangenomen; appellante kan niet meer dan 20 uren per week werkzaamheden verrichten.
3.3. Op basis van de FML van 10 oktober 2003 heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat appellante niet (langer) in staat is tot het verrichten van haar eigen werkzaamheden. Desondanks acht de arbeidsdeskundige appellante in staat tot het verrichten van arbeid in door hem geselecteerde functies. Het aan die arbeid verbonden loon is echter minder dan het geïndexeerde loon dat aan de functie van schoolassistente is verbonden. De mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 45-55% en bij besluit van 7 mei 2004 is appellante met ingang van 18 augustus 2003 dienovereenkomstig een WAO-uitkering toegekend.
3.4. In juni 2004 vond opnieuw een (medische) beoordeling plaats. Daarvoor bestonden twee redenen, namelijk de wettelijke eerstejaarsherbeoordeling en het verzoek van appellante, die had aangegeven toegenomen arbeidsongeschikt te zijn. De verzekeringsarts heeft niet zelf een nieuwe FML ingevuld, maar heeft aangegeven dat de FML van 10 oktober 2003 nog steeds van toepassing was.
4. De Raad overweegt verder het volgende.
4.1. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts in september 2004 niet van verouderde medische gegevens is uitgegaan. Zij heeft zich immers gebaseerd op eigen (spreekuur-)onderzoek en bij haar beoordeling de over appellante bekende medische gegevens betrokken, waaronder inlichtingen van de bedrijfsarts en behandelende arts van juli 2004. Daaraan doet niet af dat de verzekeringsarts voor de voor appellante (ook) in september 2004 geldende medische beperkingen heeft verwezen naar de FML van 10 oktober 2003.
4.2. Ook de beroepsgrond dat de medische beperkingen van appellante zijn onderschat, slaagt niet. Deze beroepsgrond heeft appellante niet met medische stukken onderbouwd. De door haar in hoger beroep overgelegde verklaring van haar huisarts ondersteunt deze beroepsgrond niet. De Raad ziet geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het oordeel van de (bezwaar-)verzekeringsarts hierover. Evenmin ziet de Raad reden tot twijfel aan de geschiktheid van de appellante voorgehouden functies.
4.3. Andere beroepsgronden heeft appellante niet aangevoerd. Zodoende komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
4.4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) S. Sweep.
JL