ECLI:NL:CRVB:2008:BD3854

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3941 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWerkloosheidswet (WW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen zonder schending vertrouwensbeginsel

Appellant kreeg een korting van 20% op zijn WW-uitkering voor een periode van 16 weken omdat hij onvoldoende had geprobeerd passende arbeid te verkrijgen in de periode van 10 april tot en met 7 mei 2006. Het UWV had het bezwaar van appellant tegen deze korting ongegrond verklaard, waarbij werd benadrukt dat de re-integratiecoaches geen toezegging hadden gedaan dat appellant niet meer hoefde te solliciteren.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen de korting ongegrond en oordeelde dat appellant niet aan zijn sollicitatieplicht had voldaan. Het vertrouwensbeginsel werd door de rechtbank verworpen omdat geen uitdrukkelijke en ongeclausuleerde toezegging was gedaan door het UWV.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad stelde vast dat appellant geen in rechte te honoreren verwachting had gekregen dat hij niet hoefde te solliciteren. Ook de gesprekken met de re-integratiecoaches wekten deze verwachting niet, mede omdat appellant na deze gesprekken nog steeds solliciteerde. De Raad wees tevens een verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De korting van 20% op de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen wordt bevestigd zonder schending van het vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

07/3941 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2007, 06/3826 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 mei 2008.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 8 mei 2006 gedurende 16 weken met 20% gekort op de grond dat appellant in de periode van 10 april 2006 tot en met 7 mei 2006 in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 10 augustus 2006 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij onder meer overwogen dat de re-integratiecoaches appellant niet hebben meegedeeld, en ook anderszins niet de verwachting hebben gewekt, dat appellant niet meer hoefde te solliciteren.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant niet aan de op hem rustende sollicitatieplicht voldaan. Voor zover appellant zich beroept op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat niet gebleken is van een door (een medewerker) van het Uwv gedane uitdrukkelijke en ongeclausuleerde toezegging dat hij niet aan de sollicitatieplicht hoefde te voldoen, zodat van strijd met dit beginsel geen sprake is.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. De Raad stelt vast dat het geschil in hoger beroep zich beperkt tot de vraag of jegens appellant een in rechte te honoreren verwachting is gewekt dat hij (tijdelijk) niet hoefde te solliciteren.
4.2. Deze vraag beantwoordt de Raad, evenals de rechtbank, ontkennend en hij stelt zich achter de daarop betrekking hebbende overwegingen in de aangevallen uitspraak. De Raad voegt daaraan toe dat het ook niet aannemelijk is te achten dat tijdens de gesprekken met de re-integratiecoaches de verwachting is gewekt dat appellant (tijdelijk) niet meer hoefde te solliciteren. De Raad wijst er daarbij op dat het Uwv appellant juist mede voor deze gesprekken had opgeroepen, omdat hij zich mogelijk niet aan zijn sollicitatieplicht hield. Ook de omstandigheid dat appellant, blijkens de door hem ingeleverde werkbriefjes, na de gesprekken met de re-integratiecoaches nog steeds heeft gesolliciteerd maakt zijn betoog naar het oordeel van de Raad onaannemelijk.
4.3. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
BvW