ECLI:NL:CRVB:2008:BD3867
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van gewekte verwachtingen omtrent WW-uitkering na terugkeer uit het buitenland
Appellant was van 17 januari 2005 tot 17 januari 2006 in dienst bij een werkgever en vertrok daarna naar Zuid-Afrika om vrijwilligerswerk te verrichten. Na terugkeer op 23 juni 2006 vroeg hij een WW-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen wegens het niet voldoen aan de referte-eis van 26 gewerkte weken in de voorafgaande 39 weken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de enkele telefonische mededeling van een UWV-medewerker onvoldoende was om een wettelijke bepaling terzijde te schuiven. Het hoger beroep richtte zich uitsluitend op de vraag of appellant een in rechte te honoreren verwachting had gekregen dat hij een WW-uitkering zou ontvangen bij terugkeer binnen zes maanden.
De Raad stelde vast dat er onvoldoende bewijs was dat het UWV zodanige verwachtingen had gewekt dat appellant daarop een beroep kon doen. Ook als de door appellant gestelde informatie was verstrekt, was onduidelijk welke vragen hij had gesteld, en was niet gebleken dat hij duidelijk had gemaakt dat hij direct na zijn dienstverband als vrijwilliger in Zuid-Afrika zou werken, wat van belang is voor het recht op WW.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen in rechte te honoreren verwachting heeft gekregen op een WW-uitkering na terugkeer binnen zes maanden.