ECLI:NL:CRVB:2008:BD4286

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5991 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringSchattingsbesluit (Stb. 1994, 596)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit verlaging WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering passende functie chauffeur

Appellante ontvangt sinds 1997 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid na een polsfractuur en dystrofie-achtige klachten. Het UWV heeft haar uitkering meerdere malen herzien, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd verlaagd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het laatste besluit ongegrond, omdat het medisch aspect niet meer ter discussie stond en slechts de arbeidskundige onderbouwing werd beoordeeld.

In hoger beroep stelt appellante dat de functie van chauffeur bijzonder vervoer niet passend is, omdat zij al jaren niet meer rijdt en pijnstillers gebruikt die haar rijvaardigheid beïnvloeden. Zij verwijst naar een arbeidsdeskundig rapport en noemt ook angst voor het verkeer. Het UWV heeft ter zitting een aanvullende motivering gegeven dat actuele rijervaring niet vereist is voor deze functie.

De Raad oordeelt dat het UWV het besluit pas in hoger beroep voldoende heeft gemotiveerd en dat de functie van chauffeur bijzonder vervoer als passend mag worden beschouwd. De angst van appellante is onvoldoende onderbouwd met medische verklaringen. De Raad vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de Awb, verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

06/5991 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2006, 06/113 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2008. Voor appellante is verschenen mr. Wolter.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is op 1 november 1994 uitgevallen vanwege een polsfractuur, waarna zij dystrofie-achtige klachten aan deze pols heeft ontwikkeld. Vanaf 29 augustus 1997 heeft zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% ontvangen.
1.2. Bij besluit van 24 oktober 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 15 december 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
1.3. Bij besluit van 25 november 2004 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en haar uitkering met ingang van 15 december 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
1.4 Bij uitspraak van 24 oktober 2005 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 25 november 2004 gegrond verklaard vanwege een onvoldoende gemotiveerde arbeidskundige grondslag en dit besluit vernietigd.
1.5. Bij besluit van 29 november 2005 heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar wederom gegrond verklaard en de uitkering wederom herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
1.6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
29 november 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het substraat van het bestreden besluit met betrekking tot het medisch aspect reeds in rechte vast is komen te staan omdat er geen hoger beroep was ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 2005 en is slechts een oordeel gegeven over de arbeidskundige grondslag van het besluit.
2.1. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de functie van chauffeur bijzonder vervoer (sbc-code 282101) geen passende functie betreft omdat zij al meer dan tien jaar niet over een auto beschikt en al jaren niet meer zelf rijdt vanwege haar lichamelijke klachten. Daarbij gebruikt ze pijnstillers die volgens haar de rijvaardigheid en het reactievermogen kunnen beïnvloeden. Appellante heeft ter ondersteuning van haar standpunt verwezen naar een rapportage van de arbeidsdeskundige J.L. Rodriguez Lopez van 24 juli 2006 in een soortgelijke zaak waarin deze arbeidsdeskundige van mening was dat het van iemand die al jaren niet meer rijdt niet billijk en reëel lijkt om te verwachten dat zij beroepsmatig gaat deelnemen aan het verkeer.
Ter zitting is door de gemachtigde van appellante toegelicht dat, naast het gegeven dat appellante jarenlang niet heeft gereden, angst voor het verkeer meespeelt.
3.1. De Raad merkt op dat uit de rapportages van bezwaararbeidsdeskundige Neefjes van 2 augustus 2006 en 7 maart 2007 blijkt dat expliciet bij de arbeidskundig analist is nagevraagd of voor de functie van chauffeur bijzonder vervoer actuele rijervaring vereist is, hetgeen niet het geval was. Voorts overweegt de Raad dat de functies in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem voorbeeldfuncties betreffen. Appellante hoeft zich niet slechts op de door de arbeidsdeskundige aangegeven (voorbeeld)functies te richten. Bovendien is inwerkingtreding van het Schattingsbesluit (Stb. 1994, 596) niet langer bepalend of betrokkene de arbeid in billijkheid is op te dragen.
Aangaande de angst die appellante in het verkeer ervaart wordt overwogen dat geen verklaring van bijvoorbeeld een psychiater of psycholoog is overgelegd inhoudende dat vanwege angstgevoelens niet van appellante gevergd kan worden aan het verkeer deel te nemen.
Het gegeven dat er nog maar 0,3% ontbreekt om in een hogere klasse van arbeidsongeschiktheid te komen kan niet tot een ander oordeel leiden.
Het Uwv heeft derhalve de functie van chauffeur bijzonder vervoer mogen gebruiken voor de bepaling van appellantes mate van arbeidsongeschiktheid.
3.2. De Raad constateert evenwel dat het bestreden besluit eerst in de fase van het hoger beroep is voorzien van een deugdelijke motivering nu ter zitting door de gemachtigde van het Uwv nog een aanvullende motivering is gegeven ten aanzien van enkele items bij de functie van chauffeur bijzonder vervoer. Het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak komen derhalve wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet in hetgeen is overwogen onder 3.1. aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.
4.1. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
TM