ECLI:NL:CRVB:2008:BD4905

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4444 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6:13 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidskundige component schatting niet zelfstandig deelbesluit bij intrekking WAO-uitkering

De Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) trok de WAO-uitkering van betrokkene per 5 april 2005 in, omdat diens arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn. Betrokkene maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank Breda vernietigde het arbeidskundige gedeelte van het besluit vanwege onvoldoende transparantie en toetsbaarheid van het gebruikte Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), en beval een nieuw besluit op bezwaar.

In hoger beroep stelde appellant dat de aanpassingen aan het CBBS voldoende waren en overhandigde een aanvullend rapport met een motivering van de geschiktheid van geselecteerde functies. Namens appellant werd verklaard dat de bezwaren tegen het aangepaste CBBS niet langer werden gehandhaafd, mede gelet op eerdere uitspraken van de Raad.

De Centrale Raad overweegt dat de arbeidskundige component niet als zelfstandig deelbesluit kan worden aangemerkt en dat gedeeltelijke vernietiging niet mogelijk is. Het rapport van 6 september 2006 biedt een voldoende motivering dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijden. Daarom vernietigt de Raad het vonnis van de rechtbank voor zover het het arbeidskundige gedeelte betreft, vernietigt het bestreden besluit geheel, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Proceskosten in hoger beroep worden niet toegewezen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt geheel vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

06/4444 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 juni 2006, 05/4648 (hierna: de aangevallen uitspraak)
in het geding tussen:
[Betrokkene] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 10 juni 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting, gevoegd met het geding tussen partijen onder nummer 07/733 ZW, heeft plaatsgevonden op 29 april 2008. Namens appellant is verschenen A.P. London. Betrokkene is, zoals tevoren bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 4 februari 2005 heeft appellant de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 5 april 2005 ingetrokken onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van die datum minder dan 15% was.
1.2. Bij besluit van 26 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 4 februari 2005 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Ten aanzien van het arbeidskundige gedeelte van de schatting heeft de rechtbank, samengevat, geoordeeld dat met de aanpassingen die appellant heeft aangebracht in het zogeheten Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) niet alle onvolkomenheden van dat systeem zijn opgeheven die de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004 (o.a. LJN: AR4716) heeft geconstateerd. Dit heeft de rechtbank tot de slotsom gebracht dat de onderhavige schatting een als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeert, zodat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit vernietigd, dat besluit voor het overige in stand gelaten alsmede appellant opgedragen, voor zover het bestreden besluit is vernietigd, een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tot slot heeft de rechtbank beslissingen gegeven op het verzoek om de vergoeding van schade en over vergoeding van proceskosten en griffierecht.
3. Appellant heeft in zijn aanvullend beroepschrift, verkort weergegeven, aangevoerd dat met de aanpassingen die naar aanleiding van ’s Raads uitspraken van 9 november 2004 aan het CBBS zijn aangebracht, een zodanig niveau van verifieerbaarheid, inzichtelijk-heid en toetsbaarheid van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is bereikt dat die voldoende onderbouwing geeft voor een besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid. Bij brief van 7 september 2006 heeft appellant een rapport van 6 september 2006 van bezwaararbeidsdeskundige C.H.J. de Vries-van Hulten ingezonden, waarin een aanvullende motivering is gegeven ten aanzien van de geschiktheid van de functies die voor betrokkene zijn geselecteerd. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant verklaard dat de gronden van het hoger beroep over het aangepaste CBBS niet langer worden gehandhaafd, gelet op de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (o.a. LJN: AY9971). De gemachtigde heeft verzocht om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven omdat in het rapport van 6 september 2006 voldoende gemotiveerd is dat de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijdt.
4.1. Met verwijzing naar zijn uitspraken van 16 maart 2005, LJN: AT1852, en 23 januari 2008, LJN: BC2880, overweegt de Raad allereerst, ambtshalve, dat de arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet is aan te merken als een zelfstandig deelbesluit en - zo voegt de Raad daaraan thans toe - dat een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling derhalve ook niet bestaat uit onderdelen van een besluit als bedoeld in (de wetsgeschiedenis van) artikel 6:13 van Pro de Awb. Zoals de Raad in de uitspraken van 16 maart 2005 en 23 januari 2008, alsook in zijn uitspraak van 28 november 2007, LJN: BB9311, heeft overwogen, betekent dit dat voor gedeeltelijke vernietiging geen plaats is.
4.2. Voorts overweegt de Raad dat het Uwv in genoemd rapport van 6 september 2006 voldoende heeft gemotiveerd waarom de in het kader van de WAO-beoordeling voor betrokkene geselecteerde functies haar belastbaarheid niet overschrijden, zodat deze functies aan de beslissing tot intrekking van de WAO-uitkering ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.3. Dit leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit is vernietigd, het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en het bestreden besluit voor het overige in stand is gelaten. Dit betekent dat de gegrondverklaring van het beroep en de beslissingen ter zake van griffierecht en proceskosten in stand blijven. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.
5. De Raad is niet gebleken dat betrokkene in hoger beroep proceskosten heeft gemaakt die onder toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit is vernietigd, het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak, en het bestreden besluit voor het overige in stand is gelaten;
Vernietigt het bestreden besluit geheel;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2008.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) J. Verrips.
MH