ECLI:NL:CRVB:2008:BD5849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugwerkende kracht van tegemoetkoming op grond van de TOG-regeling
Appellant, vader van een gehandicapt kind, vroeg een tegemoetkoming aan op grond van de Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG). De Sociale Verzekeringsbank (SVB) kende de tegemoetkoming toe met terugwerkende kracht van één jaar vanaf het moment van aanvraag. Appellant maakte bezwaar tegen deze ingangsdatum, stellende dat hij niet tijdig was geïnformeerd over de regeling en daardoor een langere terugwerkende kracht verdiende.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant bekend had kunnen zijn met de TOG-regeling gezien de ruime publiciteit en voorlichting. In hoger beroep herhaalde appellant zijn grieven, maar de Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad overwoog dat de TOG-regeling deugdelijk bekend was gemaakt via publicaties, voorlichting aan scholen en belangenverenigingen, en dat onbekendheid met een goed bekend gemaakte regeling geen bijzonder geval vormt dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigt.
De Raad wees erop dat het beleid van de SVB bepaalt dat alleen in bijzondere gevallen een terugwerkende kracht van meer dan een jaar kan worden toegekend, en dat onvoldoende activiteit of onbekendheid van de betrokkene dit niet rechtvaardigt. Aangezien appellant geen verschoonbare onbekendheid kon aantonen en de situatie niet buiten zijn risicosfeer viel, werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de SVB terecht slechts één jaar terugwerkende kracht heeft verleend bij de tegemoetkoming op grond van de TOG-regeling.