ECLI:NL:CRVB:2008:BD5860
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag vervolgde voor periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellant, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in augustus 2006 een aanvraag in om als vervolgd persoon in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij en zijn familie tijdens de Japanse bezetting vrijheidsberoving hadden ondergaan.
Verweerster, de Pensioen- en Uitkeringsraad, wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat appellant vervolging in de zin van de Wet had ondergaan. Dit besluit werd na bezwaar gehandhaafd. Tijdens de zitting op 28 mei 2008 was appellant niet aanwezig.
De Raad overwoog dat onder vervolging moet worden verstaan handelingen van de vijandelijke bezettende macht gericht tegen personen van Europese afkomst die hebben geleid tot vrijheidsberoving in kampen of gevangenissen. Er waren geen objectieve gegevens die bevestigden dat appellant dergelijke vrijheidsberoving had ondergaan. Archieven van het Rode Kruis en het Bureau Overzeese Pensioenen bevatten geen interneringsgegevens die het relaas van appellant ondersteunen.
De verklaring van een oudere zuster van appellant over het verblijf in Kota Paris na de Japanse capitulatie strookte met het sociaal rapport, maar was onvoldoende om het besluit te vernietigen. De Raad oordeelde dat het beroep ongegrond is en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.