ECLI:NL:CRVB:2008:BD7008
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens geschiktheid voor voorgehouden functies ondanks epilepsie
Appellant, die sinds 1999 ziek was gemeld wegens epilepsie en depressieve klachten, kreeg vanaf 2000 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2005 concludeerde de verzekeringsarts dat appellant aanvalsvrij was sinds 2003 en geschikt voor bepaalde functies, waarop het UWV de WAO-uitkering introk.
Appellant betwistte deze conclusie en overhandigde medische stukken ter onderbouwing van zijn epilepsieaanvallen. De bezwaarverzekeringsarts handhaafde echter de eerdere beoordeling, mede omdat appellant niet onder behandeling stond en autorijdt. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond vanwege onvoldoende toelichting op de voorgehouden functies, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad dat de toelichting op de functies pas in hoger beroep volledig was gegeven, waardoor de eerdere uitspraak vernietigd moest worden voor zover de rechtsgevolgen in stand waren gelaten. Met de nieuwe toelichting achtte de Raad de mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld op minder dan 15% en bevestigde de intrekking van de WAO-uitkering. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd met inachtneming van de nadere toelichting op de voorgehouden functies en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.