ECLI:NL:CRVB:2008:BD7408
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.M. van de Kerkhof
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zorgvuldigheid medisch onderzoek bij intrekking WAO-uitkering
Appellante, een tandartsassistente die sinds 1999 arbeidsongeschikt is, kreeg vanaf 2000 een WAO-uitkering toegekend. In 2005 trok het UWV deze uitkering in na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek door een arts in opleiding, omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde het besluit en oordeelde dat het onderzoek door een arts in opleiding niet in strijd was met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
In hoger beroep stelde appellante dat het zorgvuldigheidsbeginsel was geschonden omdat het primaire onderzoek niet door een geregistreerde verzekeringsarts was uitgevoerd en dat dit gebrek niet was hersteld in de bezwaarfase. De Raad overwoog dat het onderzoek door een arts in opleiding inderdaad onvoldoende is, maar dat dit gebrek kan worden hersteld als een geregistreerde arts in de bezwaarfase een beoordeling verricht.
De bezwaarverzekeringsarts had appellante gesproken en beoordeeld op basis van het rapport van de arts in opleiding, huisartsgegevens en psychologische informatie, en had geen aanleiding tot aanvullend lichamelijk onderzoek. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was en wijst het hoger beroep af.