ECLI:NL:CRVB:2008:BD8438
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering tijdens lopende Ziektewetuitkering
Appellant, werkzaam als allround afwerker en later als touringcarchauffeur, meldde zich ziek met diverse klachten en ontving vanaf 1997 een WAO-uitkering met wisselende mate van arbeidsongeschiktheid. Na ziekmelding in 2003 ontving hij een Ziektewetuitkering (ZW) tot december 2004. Tegelijkertijd werd zijn WAO-uitkering per 21 januari 2004 verhoogd naar 80-100%, later herzien naar 35-45%. Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening, maar dit werd ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelde appellant dat hij niet vanaf 21 januari 2004 een volledige WAO-uitkering ontving, maar een combinatie van 50% ZW en 50% WAO, en dat verlaging van de WAO-uitkering tijdens een lopende ZW-uitkering niet toegestaan is. De Raad overwoog dat de herziening van de WAO-uitkering per 21 januari 2004 rechtsgeldig is vastgesteld, het bezwaar ongegrond verklaard en geen beroep daartegen ingesteld. Het feit dat appellant ziekengeld ontving staat niet aan verlaging van de WAO-uitkering in de weg.
De Raad concludeerde dat de overige grieven van appellant niet relevant zijn voor de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit. Het hoger beroep kon daarom niet slagen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering tijdens de lopende Ziektewetuitkering en wijst het hoger beroep af.