ECLI:NL:CRVB:2008:BD8493
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- B.I. Klaassens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit ondanks medische en arbeidskundige bezwaren appellant
Appellant, die een WAO-uitkering ontvangt voor een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat hij geheel arbeidsongeschikt is. Hij voerde tevens aan dat onduidelijk is of er signaleringen waren over overschrijdingen van zijn belastbaarheid en of er overleg heeft plaatsgevonden tussen de arbeidsdeskundige en verzekeringsarts.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het bestreden besluit is genomen in uitvoering van een eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam, waarin de medische grondslag van het besluit van 13 mei 2004 als juist werd beoordeeld. Omdat appellant tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, moet volgens vaste rechtspraak van de Raad van de juistheid van dat oordeel worden uitgegaan, tenzij er nieuwe medische gegevens zijn die een ander licht werpen, wat hier niet het geval was.
De Raad achtte de arbeidskundige onderbouwing toereikend en vond geen aanleiding om te oordelen dat overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts noodzakelijk was, gelet op de feiten en omstandigheden en de toelichting van het UWV. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 juli 2008 en bevestigt het standpunt van het UWV over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 35-45% door het UWV wordt bevestigd.