ECLI:NL:CRVB:2008:BD8566
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- B.I. Klaassens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering en bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering
Appellante ontving een WAO-uitkering vanwege bekkenklachten met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek en arbeidsdeskundige beoordeling oordeelde het UWV dat zij geschikt was voor bepaalde functies, waardoor de WAO-uitkering werd ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak vanwege onvoldoende motivering in eerste aanleg.
De medische en arbeidskundige beoordelingen zijn uitgebreid besproken, waarbij een onafhankelijke deskundige de beperkingen van appellante bevestigde. De Raad concludeert dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en de arbeidskundige functies zorgvuldig zijn vastgesteld en dat het UWV voldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen, ook al is appellante deels rolstoelafhankelijk.
Ten aanzien van de Ziektewetuitkering meldde appellante zich ziek vanuit een WW-situatie met toegenomen klachten. Na onderzoek stelde de ziektewetarts vast dat er geen nieuwe medische ontwikkelingen waren en verklaarde appellante hersteld. De Raad bevestigt de beëindiging van het ziekengeld en het standpunt van het UWV dat appellante in staat was de eerder vastgestelde functies te vervullen.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven echter in stand, waardoor geen schadevergoeding wordt toegekend.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.