ECLI:NL:CRVB:2008:BD8941

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juli 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4994 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling

Appellant, die sinds 1991 als plaatwerker/spuiter werkte, stopte in 1994 vanwege rugklachten. Het UWV kende hem vanaf 1995 een WAO-uitkering toe van 25-35% arbeidsongeschiktheid. In 2005 trok het UWV de uitkering in omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Na bezwaar stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 15-25%.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond, omdat de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende was. Appellant stelde in hoger beroep dat het onderzoek onzorgvuldig was, met onvoldoende aandacht voor zijn klachten, en verzocht om een onafhankelijk deskundige.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de belastbaarheid van appellant niet werd overschat. Er was geen aanleiding voor nader deskundigenonderzoek. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het UWV.

De Raad nam mee dat appellant sinds lange tijd geen specialist of huisarts had bezocht en geen medicatie gebruikte. Ook de aanvullende stukken die appellant inbracht gaven geen nieuwe inzichten over zijn gezondheidstoestand op de relevante datum. De Raad zag geen grond om af te wijken van het oordeel van het UWV.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

06/4994 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2006, 05/3029 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 juli 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.M. Haring, advocate te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Haring.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant is op 1 januari 1991 als plaatwerker/spuiter in dienst getreden bij [naam werkgever]. Met ingang van 3 februari 1994 heeft hij deze werkzaamheden wegens rugklachten gestaakt. Het Uwv heeft appellant vervolgens met ingang van 2 februari 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van
25 tot 35%.
1.2. Bij besluit van 7 april 2005 heeft het UWV de WAO-uitkering van appellant met ingang van 7 juni 2005 ingetrokken op de grond dat appellant met ingang van deze datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
1.3. Bij besluit van 17 oktober 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar gegrond verklaard, en besloten de WAO-uitkering van appellant met ingang van 20 november 2005 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat de rechtbank zich – kort weergegeven – kon verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat zowel het medische als arbeids-kundige onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is verricht, nu onvoldoende acht is geslagen op de psychische en lichamelijke klachten van appellant. Appellant heeft verzocht een onafhankelijk deskundige in te schakelen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. De Raad is van oordeel dat de medische beoordeling van de in geding zijnde schatting op een juiste en zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat appellants mogelijkheden ten aanzien van verrichten van arbeid zoals weergegeven in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst van 4 maart 2005 niet zijn overschat. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat zowel bij de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts een duidelijk beeld is van de klachten en beperkingen van appellant. Appellant was ten tijde van het medisch onderzoek op 4 maart 2005 reeds lange tijd niet meer bij de specialist geweest en al langer dan een half jaar niet meer bij de huisarts geweest. Hij gebruikte geen medicijnen. De fysiotherapeut meldde in zijn brief van 12 oktober 2005 dat de klachten op dat moment niet ernstig invaliderend waren. Door appellant zijn (ook) in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die aanleiding zouden kunnen geven tot twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen van het Uwv in aanmerking genomen medische beperkingen. De Raad ziet in bovenstaande dan ook geen aanleiding voor een onderzoek door een deskundige.
De alsnog op 6 juni 2008 ingebrachte stukken, bestaande uit een indicatieadvies van het Centrum Indicatiestelling Zorg van 2 augustus 2005 omtrent een verhuiskosten-vergoeding en de beschikking van de gemeente Amsterdam hieromtrent, geven geen informatie omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding, nog afgezien van het gegeven dat bij een dergelijk indicatieadvies een andere beoordeling plaats vindt dan die in het kader van de WAO.
4.2. Met de bij het bestreden besluit ten aanzien van appellant aangenomen belastbaarheid moet appellant dan ook in staat worden geacht de aan hem voorgehouden functies te verrichten, nu de belasting in die functies, naar de Raad met de rechtbank aanneemt en op de door de rechtbank daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.
4.3. Het hoger beroep treft derhalve geen doel, zodat wordt beslist als hieronder is vermeld.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2008.
(get.) C.P.M. van de Kerkhof.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
BP