ECLI:NL:CRVB:2008:BD9283

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2683 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbWet op de arbeidsonge-schiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAO-uitkering met behoud van rechtsgevolgen ondanks onvoldoende motivering

Betrokkene maakte bezwaar tegen de verlaging van zijn WAO-uitkering van 80-100% naar 15-25% arbeidsongeschiktheid door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). De rechtbank verklaarde het beroep gegrond vanwege het ontbreken van een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een lijst met normaalwaarden, waardoor de schatting onvoldoende transparant en toetsbaar was.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het arbeidskundige deel van het besluit niet als zelfstandig deelbesluit kan worden vernietigd en dat de rechtbank het beroep op onvoldoende inzichtelijkheid van de schatting niet steunt op eerdere rechtspraak. Met het ingebrachte arbeidskundige rapport is volgens de Raad voldoende inzicht gegeven dat de functies geschikt zijn en het verlies aan verdiencapaciteit 15-25% bedraagt.

Hoewel het bestreden besluit een onvoldoende draagkrachtige motivering bevat en daarom wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, blijven de rechtsgevolgen van de verlaging van de WAO-uitkering in stand. Daarnaast wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van betrokkene.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen van de verlaging van de WAO-uitkering blijven in stand.

Uitspraak

06/2683 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 maart 2006, 05/3801,
in het geding tussen:
appellant
en
[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna betrokkene).
Datum uitspraak: 1 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant is in hoger beroep gekomen en heeft een arbeidskundig rapport van
19 september 2007 in het geding gebracht.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 16 november 2007 en 20 juni 2008. Appellant heeft zich telkens laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. Betrokkene is telkens in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.C.S. van Deijk-Amzand.
II. OVERWEGINGEN
1. Het inleidend beroep richt zich tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsonge-schiktheidsverzekering (WAO) op 3 oktober 2005 door appellant genomen besluit. Dat besluit strekt tot de handhaving van het besluit van 2 maart 2005, waarbij de eerder aan betrokkene toegekende WAO-uitkering met ingang van 3 mei 2005 is verlaagd, omdat zijn arbeidsongeschiktheid van 80-100% naar 15 tot 25% is afgenomen.
2.1. De rechtbank heeft betrokkene niet gevolgd in zijn stelling dat de uit ziekte of gebrek voor haar voortvloeiende arbeidsbeperkingen in de door de verzekeringsarts opgestelde zogenaamde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn onderschat.
2.2. Niettemin heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. Daartoe heeft zij over-wogen dat in het dossier geen aangepaste FML aanwezig is en evenmin een lijst met de normaalwaarden inclusief interpretatiekader. Daarom mist de schatting een toereikend niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid.
3. De Raad gaat uit van de feiten zoals de rechtbank deze aan haar uitspraak ten grondslag heeft gelegd en waarvan partijen de juistheid niet hebben bestreden.
4. De rechtbank heeft het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit vernietigd. Naar het ambtshalve oordeel van de Raad leent dit deel van het bestreden besluit zich niet voor afzonderlijke vernietiging en kan reeds om die reden de aangevallen uitspraak geen stand houden. In zijn uitspraak van 16 maart 2005, LJN AT1852, heeft de Raad al overwogen dat de arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet valt aan te merken als een zelfstandig deelbesluit.
5. Het oordeel van de rechtbank dat een toereikende inzichtelijkheid en toetsbaarheid van de schatting slechts wordt bereikt als het Uwv een lijst met normaalwaarden inclusief interpretatiekader verstrekt, vindt geen steun in de rechtspraak van de Raad. De Raad verwijst hiervoor naar zijn uitspraak van 22 februari 2008, LJN BC4826.
6. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 1 februari 2008, LJN BC3237, staat voor de Raad genoegzaam vast dat in gevallen waarin iemand op een bepaald aspect niet beperkt wordt geacht en dus belastbaar wordt geacht op het niveau van de normaalwaarde, het zich voordoen in een functie van een bijzondere belasting op datzelfde aspect, mede gegeven de aan het begrip bijzondere belasting in het toegekende specifieke betekenis, in het algemeen niet betekent dat sprake is van een mogelijke, ten onrechte niet gesigna-leerde, overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde, zijnde de normaalwaarde. Voor ogen dient te worden gehouden dat het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (niet meer dan) een hulpmiddel is om een schattingsbesluit wat betreft de medische en arbeidskundige uitgangspunten voldoende inzichtelijk te maken en te motiveren ten behoeve van derden. Het is de arbeidsdeskundige die er steeds op dient toe te zien dat in een voorliggend geval de arbeidskundige grondslag van het betreffende besluit daadwerkelijk van een toereikende en inzichtelijke motivering is voorzien. In voorkomende gevallen kan dat betekenen dat de arbeidsdeskundige, zo nodig na vooraf-gaand overleg met de verzekeringsarts, (ook met betrekking tot een aspect dat wordt aangeduid als een bijzondere belasting of een kenmerkende belasting) zorg dient te dragen voor een nadere afzonderlijke toelichting inzake de passendheid van de bij een schatting gebruikte functies.
7. Met het in hoger beroep overgelegde arbeidskundige rapport is voldoende inzichtelijk en toetsbaar dat de als grondslag voor de schatting gehandhaafde functies, ook werkelijk geschikt zijn te achten voor de betrokkene. Evenzeer is voor de Raad afdoende onder-bouwd dat het verlies aan verdiencapaciteit 15-25% bedraagt. Het bestreden besluit mist weliswaar een voldoende draagkrachtige motivering en dient wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, maar de Raad vindt aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.
8. De Raad ziet tevens aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten, van betrokkene wegens de hem verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- voor het geding in eerste aanleg, en € 805,- voor het geding in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag groot € 1.499,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het griffierecht van € 37,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2008.
(get.) R.C. Stam.
(get.) M.W.A. Schimmel.
BP