ECLI:NL:CRVB:2008:BD9370

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3785 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij arbeidsongeschiktheid

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het Uwv om haar WAO-uitkering in te trekken vanwege een vermeende vermindering van haar arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15% per 6 december 2004. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde het Uwv echter op 14 mei 2008 het bezwaar alsnog gegrond en handhaafde de arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% ongewijzigd.

Hierdoor is het geschil tussen partijen komen te vervallen, omdat het Uwv appellante tegemoet is gekomen en haar rechten heeft hersteld. De Raad oordeelt dat appellante geen procesbelang meer heeft bij een beslissing op het hoger beroep en verklaart het daarom niet-ontvankelijk.

De Raad veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep, begroot op in totaal € 966,-, en tot terugbetaling van het betaalde griffierecht van € 142,-. Het onderzoek ter zitting is achterwege gelaten met instemming van partijen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

06/3785 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 mei 2006, 05/470 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 8 oktober 2004 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 6 december 2004 wordt ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% is.
1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3. Bij besluit van 10 maart 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1. Nadat namens appellante hoger beroep was ingesteld heeft het Uwv op 14 mei 2008 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarbij het bezwaar van appellante alsnog gegrond is verklaard en appellante met ingang van 6 december 2004 ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.
3.2. Het Uwv heeft bij brief van 22 mei 2008 laten weten het griffierecht en de proceskosten die appellante in beroep en hoger beroep heeft moeten maken te vergoeden na de uitspraak en met betrekking tot de wettelijke rente een primair besluit te zullen afgeven.
4.1. De Raad stelt vast dat tussen partijen geen geschil meer bestaat over het geschil dat appellante in hoger beroep aan de Raad ter beoordeling heeft voorgelegd, namelijk de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 6 december 2004.
4.2. De Raad is van oordeel dat appellante geen procesbelang meer heeft bij een beslissing van de Raad op het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten van appellante.
Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van H.T. van de Erve als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) H.T. van de Erve.
BP