ECLI:NL:CRVB:2008:BD9544

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6557 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens herstel arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als juridisch secretaresse, meldde zich ziek wegens enkel- en heupklachten na een val. Vanaf 23 mei 2005 ontving zij een Ziektewetuitkering. Een verzekeringsarts verklaarde haar per 14 november 2005 hersteld voor haar functie, waarna het Uwv het recht op ziekengeld beëindigde. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische bevindingen onvoldoende beperkingen voor het werk aantonen. De Raad onderschreef dit oordeel, wijzend op de consistentie van de medische rapporten en het ontbreken van ernstige psychische klachten die het werk verhinderen.

Een brief van een psychiater uit 2007 leverde geen nieuwe inzichten op die het oordeel konden wijzigen. De Raad zag geen aanleiding voor nader medisch onderzoek en bevestigde het bestreden besluit dat het recht op ziekengeld is komen te vervallen.

De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 augustus 2008.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd per 14 november 2005.

Uitspraak

06/6557 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2006, 06/341 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delsecen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door H.J.A. Aerts, juridisch medewerker van voornoemde advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.J. Clerx.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als juridisch secretaresse bij een advocaten-kantoor. Zij heeft zich op 23 mei 2005, vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet, ziek gemeld wegens enkel- en heupklachten, ontstaan nadat zij was gevallen. Aan haar is met ingang van deze datum een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2. Appellante heeft laatstelijk op 4 november 2005 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, die haar per 14 november 2005 hersteld achtte voor haar werk als secretaresse.
2. Bij besluit van 7 november 2005 is aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 14 november 2005 geen recht meer had op ziekengeld.
3. Bij besluit van 16 december 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 7 november 2005 ongegrond verklaard.
4.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekerings-arts. De rechtbank heeft daarbij – samengevat – overwogen dat de verzekeringsarts rekening heeft gehouden met de klachten van appellante aan de linkerenkel en de pijnklachten van het bewegingsapparaat op diverse plaatsen, hetgeen strookte met de bevindingen van de behandelend orthopedisch chirurg.
4.2. Verder heeft de rechtbank erop gewezen dat de bij appellante gevonden medische afwijkingen volgens de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende verklaring bieden voor de aard en de ernst van de door appellente geuite klachten. De bezwaarverzekeringsarts achtte aannemelijk dat een slijtage achter de knieschrijven pijnklachten kon veroorzaken bij langdurige belasting, veelvuldig buigen, kruipen en traplopen, maar wees erop dat dit geen aspecten waren die in de – in hoofdzaak zittende – functie van appellante voorkwamen. De door appellante ingebrachte medische informatie heeft de rechtbank niet tot het oordeel kunnen brengen dat de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts geen recht deed aan de beperkingen van appellante.
5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
5.2. De in hoger beroep overgelegde brief van 14 november 2007 van psychiater J. Roth, verbonden aan de GGZ-Buitenamstel vormt voor de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel. De Raad wijst erop dat deze brief slechts actuele gegevens bevat en geen informatie omtrent de gezondheidstoestand van appellante rond de datum in geding. Waar voormelde brief verder melding maakt van atypische stemmingsklachten, die goed reageren op inzichtgevende psychotherapie of ook cognitieve gedragstherapie, ziet de Raad geen wezenlijk verschil met het eerder door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt dat er een psychische achtergrond voor de klachten van appellante bestaat. De Raad ziet ook geen reden voor twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat er geen sprake was van een ernstige depressie, zodat ook geen aanleiding bestaat voor een nader medisch onderzoek.
6. Uit hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) W.R. de Vries.
BP