ECLI:NL:CRVB:2008:BD9547

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5268 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbWet op de arbeidsongevallenverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering WAO-uitkering ondanks onvoldoende motivering

De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Breda die het beroep van betrokkene tegen de weigering van een WAO-uitkering gegrond verklaarde. Betrokkene was niet verschenen bij de zitting, maar had verweer gevoerd.

De rechtbank had het beroep gegrond verklaard omdat het dossier geen aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en geen lijst met normaalwaarden inclusief interpretatiekader bevatte, waardoor de schatting van arbeidsmogelijkheden onvoldoende transparant en toetsbaar was. De Raad oordeelt echter dat het UWV met de in hoger beroep overgelegde arbeidskundige rapporten voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de gehanteerde functies geschikt zijn voor betrokkene en dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt.

Hoewel het bestreden besluit een onvoldoende draagkrachtige motivering bevat en daarom vernietigd wordt wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, laat de Raad de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

06/5268 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 augustus 2006, 06/590 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 1 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant is in hoger beroep gekomen.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een tweetal arbeidskundige rapportages gedateerd 8 augustus 2007 en 9 juni 2008 in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 20 juni 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn. Betrokkene is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Het inleidend beroep richt zich tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidson-geschiktheidsverzekering (WAO) op 21 december 2005 door appellant genomen besluit. Dat besluit strekt tot de handhaving van het besluit van 2 december 2004, waarbij geweigerd is aan betrokkene met ingang van 22 november 2004 een WAO-uitkering toe te kennen.
2.1. De rechtbank heeft betrokkene niet gevolgd in zijn stelling dat de uit ziekte of gebrek voor hem voortvloeiende arbeidsbeperkingen in de door de verzekeringsarts opgestelde zogenaamde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn onderschat.
2.2. Niettemin heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. Daartoe heeft zij over-wogen dat in het dossier geen aangepaste FML aanwezig is en evenmin een lijst met de normaalwaarden inclusief interpretatiekader. Daarom mist de schatting een toereikend niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid.
3.1. De Raad gaat uit van de feiten zoals de rechtbank deze aan haar uitspraak ten grondslag heeft gelegd en waarvan partijen de juistheid niet hebben bestreden.
3.3. Het oordeel van de rechtbank dat een toereikende inzichtelijkheid en toetsbaarheid van de schatting slechts wordt bereikt als het Uwv een lijst met normaalwaarden inclusief interpretatiekader verstrekt, vindt geen steun in de rechtspraak van de Raad. De Raad verwijst hiervoor naar zijn uitspraak van 22 februari 2008, LJN BC4826.
3.4. Daarom komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.
4. Met de in hoger beroep overgelegde arbeidskundige rapporten is voldoende inzichtelijk en toetsbaar dat de als grondslag voor de schatting gehandhaafde functies, ook werkelijk geschikt zijn te achten voor de betrokkene. Evenzeer is voor de Raad afdoende onder-bouwd dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt. Het bestreden besluit mist weliswaar een voldoende draagkrachtige motivering en dient wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, maar de Raad vindt aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.
5. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene wegens aan hem verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- voor het geding in eerste aanleg en € 322,- voor het geding in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het in eerste aanleg betaalde griffierecht van € 37,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2008.
(get.) R.C. Stam.
(get.) M.W.A. Schimmel.
BP