ECLI:NL:CRVB:2008:BD9573
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Vaststelling maatstaf arbeid bij ziektewetuitkering na begeleidstersfunctie
Appellante, voormalig gezinshelpster, ontving een WAO-uitkering en later een werkloosheidsuitkering. Zij werkte van november 2002 tot juni 2004 twintig uur per week als begeleidster van een bejaarde. Na beëindiging van dit dienstverband ontving zij opnieuw een werkloosheidsuitkering en meldde zich in oktober 2004 ziek. Een verzekeringsarts verklaarde haar in juli 2005 hersteld.
Het UWV beëindigde daarop haar ziekengeld, maar hanteerde als maatstaf arbeid het werk van 11 uur per week dat appellante eerder had verricht. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde dit standpunt. Appellante ging in beroep tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV onterecht het werk van 11 uur per week als maatstaf arbeid hanteerde, terwijl het laatstelijk verrichte werk als begeleidster voor 20 uur per week maatgevend is. De Raad vernietigt het besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd omdat het onjuiste maatstaf arbeid hanteerde; het laatstelijk verrichte werk als begeleidster voor 20 uur per week geldt als maatstaf.